De spijsvertering

Het eten wat dagelijks naar binnen wordt gewerkt scheppen we onze mond binnen en komt er later, meestal zittend op een toiletpot, via het poepgaatje (anus) weer uit. De ontlasting (feces of faeces) die het lichaam uiteindelijk verlaat ziet er in ieder geval heel anders uit dan het voedsel wat we tot ons namen. In het spijsverteringskanaal (tractus digestivus) is er ondertussen ook wel heel wat gebeurd.

Functies van de spijsvertering


Over het stelsel wat nodig is voor de spijsvertering kan je gemakkelijk talrijke bladzijden in een boek volschrijven (tikken). We hebben hier een poging gedaan om in een, toch niet te zot grote, webpagina wat zinnigs te tikken. Om dan maar te beginnen; het spijsverteringsstelsel in het lichaam heeft de volgende functies:

  • onderscheiden van voedsel en drank aan de hand van smaak en geur.
  • inname van voeding via de mond.
  • fijnmalen door te kauwen, dus mechanische verkleining van de voeding.
  • vervoer van de fijngemaakte voeding, door middel van slikken en spierbewegingen (peristaltiek).
  • afscheiden van o.a. water, bicarbonaat en de benodigde enzymen.
  • kneden van het voedsel en mengen met sap, door middel van spierbewegingen (peristaltiek).
  • het met behulp van enzymen splitsen van voedingsstoffen in eenvoudiger stoffen. Dit betekent het chemisch verkleinen van voedsel. Deze enzymen (eiwitten) hebben als verbinding een ingewikkelde opbouw. Er zijn vele honderden enzymen bekend. Vroeger sprak men over fermenten (fermentatie of fermenteren). Tijdens het verteren van spijzen vindt de afbraak plaats van de, belangrijkste, stoffen in de voeding:
    • eiwitten tot aminozuren door proteasen of proteïnasen,
    • koolhydraten tot suikers met een eenvoudige samenstelling door carbohydrasen en
    • vetten tot glycerol en vetzuren met behulp van lipasen.
  • opname of resorptie van deze eenvoudige stoffen en afgifte aan het bloed, de lever en / of de lymfvaten.
  • afvoeren van de onverteerbare stoffen in de vorm van ontlasting, de feces of faeces.

Verteren of splitsen


Het lichaam heeft, chemisch gezien, kleine delen nodig. Het stelsel van de in serie geschakelde organen wat de spijsvertering verzorgt heeft dan ook, samen met de klieren die hier bij horen, de schone taak om de bestanddelen die zich in de voeding bevinden te splitsen. Uiteindelijk zullen de opgenomen voedingsstoffen in het bloed terechtkomen en zo naar de verschillende organen en weefsels geleid worden. Naast vocht (water) bestanddelen zoals:

  • eiwitten of proteïnen. Eiwitten zijn opgebouwd uit strengen aminozuren. De bouwstenen van eiwitten zijn koolstof (C), stikstof (N), waterstof (H) en zuurstof (O). Eventueel uitgebreid met fosfor (P), ijzer (Fe) en zwavel (S).
  • koolhydraten. Hiertoe behoren cellulosen, pectinen, suikers en zetmeel. Deze verbindingen zijn opgebouwd uit de elementen koolstof (C), waterstof (H) en zuurstof (O). Koolhydraten leveren het lichaam energie.
  • mineralen of zouten.
  • sporenelementen of spoorelementen, het lichaam heeft hier maar betrekkelijk kleine hoeveelheden van nodig.
  • vetten of vetachtige stoffen (lipiden, soms nog wel: lipoïden) zoals fosfolipiden, steroïden en triglyceriden. De vetten dienen als bouwstof en leveren energie.
  • vezelstoffen en
  • vitaminen, zijn behulpzaam bij het werk van de enzymen. We onderscheiden vitaminen die in water of juist in vet (vitamine A, D, E en K) oplossen. De in water oplosbare worden nauwelijks in het lichaam opgeslagen en moeten derhalve voortdurend door onze voeding aangeleverd worden.

Dit splitsen of afbreken van samengestelde verbindingen, de enzymatische hydrolyse, wordt door verschillende eiwitten (enzymen) verzorgd. De eiwitten, koolhydraten (suikers) en vetten bestaan uit lange ketens van moleculen. Voordat de darm er iets nuttigs mee kan doen moeten deze eerst afgebroken (gesplitst) worden. Deze gesplitste kleinere eenheden vinden we dan in de vorm van aminozuren, enkelvoudige suikers (monosachariden), glycerol en vetzuren. Dit afbraakproces start reeds in de mond en maag.

De organen voor de spijsvertering


De volgorde van de organen die samen 'de buis' voor de spijsvertering vormen zijn de / het:

  • mondholte of cavitas oris (ook: os),
  • keelholte of farynx (pharynx of cavitas pharyngis, simpel voor te stellen als een soort kruispunt waar voedsel en adem zonder conflict kunnen passeren),
  • strottehoofd of larynx. Als zuigeling kan je drinken en gelijktijdig ademhalen (bij de pasgeborene ligt het strottenhoofd nog hoog in de keelholte),
  • slokdarm of oesofagus (oesophagus of esophagus),
  • maag of ventrikel (ventriculus of gaster),
  • dunne darm of intestinum tenue en de
  • dikke darm of colon (intestinum crassum).

De maag met de dunne- en dikke darm noemt men het spijsverteringskanaal. Dit kanaal wordt ook wel aangeduidt als het maag-darmkanaal, gastro-intestinaal kanaal, de tractus digestivus of canalis alimentarius.

Je kunt je het stelsel simpelweg voorstellen als een ongeveer 8 m lange buis, met als ingang de mond en de anus als uitgang. Dat deze toch best wel lange pijp in het lichaam past is bij de gratie van de als een slang kronkelende dunne darm waarmee een groot deel van de buikholte gevuld word. Af en toe noemt men het spijsverteringskanaal ook wel maag-darmkanaal. Dit is eigenlijk niet juist omdat de mondholte met speekselklieren, de keelholte en de slokdarm buiten beschouwing worden gelaten. Buiten de net genoemde bevinden alle aan de spijsvertering deelnemende organen zich in de buikholte. Zo voorgesteld gaat het echter nog niet werken.

Drie andere organen doen ook nog een duit in het zakje, uh ... de buis:

  • de alvleesklier of het pancreas. Men noemt de alvleesklier soms ook wel de buikspeekselklier. Wanneer voedsel de maag bereikt wordt er door de maagwand het hormoon gastrine aangemaakt, wat het afscheiden van maagsap bevordert en de pancreas seint tot het afgeven van sap. Dit pancreassap bestaat uit verschillende enzymen en electrolyten die nodig zijn in de twaalfvingerige darm. Zo'n enzym is bij voorbeeld benodigd voor het afbreken van koolhydraten tot kleinere eenheden. Het alkalisch reagerende natriumbicarbonaat is van belang voor het neutraliseren van de zure brij die de maag verlaat en in de dunne darm terechtkomt.
    Het pancreassap bevat voor het splitsen en verteren onder andere de volgende enzymen:
    • amylase, wat nodig is voor het afbreken van koolhydraten. Denk hier aan galactose, lactose, maltose, fructose, sacharose, sucrose en zetmeel.

    • eiwit of proteïne (polypeptiden) splitsende enzymen:

       - chymotrypsinogeen, wordt omgezet in chymotrypsine met trypsine als activator.
       - pro-carboxypeptidase, wordt omgezet in carboxypeptidase met trypsine als activator.
       - pro-elastase, wordt omgezet in elastase met trypsine als activator.
       - trypsinogeen, wordt omgezet in trypsine met enterokinase als activator.

      Deze enzymen knippen de eiwitten met lange ketens van aminozuren (peptiden) in kortere fragmenten die in de dunne darm verder afgebroken en opgenomen kunnen worden.
      De enzymen chymotrypsinogeen, pro-carboxypeptidase, pro-elastase en trypsinogeen zijn zogenoemde pro-enzymen. Pro-enzymen vormen een nog inactief voorstadium of zymogeen van een enzym.

    • lipase, nodig voor het splitsen van vetten ofwel lipiden. Hierdoor ontstaan o.a. glycerol en vetzuren.
    Wanneer de werking van de pancreas onvoldoende is worden er in de ontlasting (feces) onverteerde eiwitten en vetten aangetroffen.
  • de galblaas of vesica fellea. In de galblaas wordt door de lever aangemaakte gal opgeslagen, die - tussen de maaltijden door - geconcentreerd word door er water aan te onttrekken. Gal wordt ook wel chole of fel genoemd, het is zeer bitter en heeft een groenachtige kleur.
    Gal bestaat onder andere uit een oplossing van:
    • cholesterol (een vetachtige niet in water oplosbare stof),
    • eiwitten of proteïnen opgebouwd uit aminozuren,
    • galkleurstoffen (afbraakproduct van hemoglobine),
    • galzure zouten,
    • lecithine (een vetachtige stof),
    • vetzuren, organische zuren als basis van vetten en
    • zouten zoals calcium, kalium en natrium.
  • de lever of hepar. In het menselijk lichaam is de lever de grootste klier en een druk en veelzijdig baasje. Op deze pagina halen we slechts een enkele functie aan; het uitscheiden van gal en het filteren van stoffen die in de darmen opgenomen werden.

De algemene bouw van het maag-darmkanaal bestaat uit verschillende lagen (tunicae). Van binnen naar buiten gezien zijn dit de:

  • mucosa. De tunica mucosa ofwel het slijmvlies omringt de holle ruimte of lumen in het kanaal en is voorzien van slijmvliesepitheel. In deze binnenste laag vindt de opname (absorptie) en afscheiding (secretie) plaats.
  • submucosa. In de tela submucosa of bindweefsellaag bevinden zich bloedvaten, lymfvaten, klieren en zenuwvlechten.
  • muscularis. Deze tunica muscularis - een dubbele spierlaag - bestaat uit spieren rondom (circulair, kring- of cirkelvormig), dit is de binnenste laag, en in de lengterichting (longitudinaal, de buitenste laag). De cirkelvormige spieren zorgen voor het samentrekken (contractie) in segmenten van de darm. De in langsrichting liggende spieren verzorgen het samentrekken in de lengterichting (peristaltiek) om zo de inhoud voort te bewegen.
  • serosa. De tunica serosa, als buitenste laag, met de buikvliesbedekking (tunica subserosa) of de laag met bindweefsel (tunica adventitia) biedt bescherming en geeft steun. De verschillende omhulsels of vliezen (tunicae) worden bepaald door de plaats waar de darm zich bevindt en al dan niet vrijligt.

De voordarm


Het duo mond en keelholte noemt men ook wel de voordarm. In de mondholte wordt tijdens het kauwen ingenomen voedsel fijngemalen en gemengd met speeksel of mondvocht (saliva). Het slijmvlies wat de mondholte bekleedt is rijk voorzien van slijmklieren. Het speeksel in de mond wordt hoofdzakelijk door drie paar grote speekselklieren afgescheiden.
Deze grote speekselklieren aan weerszijden in de mond zijn de:

  • oorspeekselklier (glandula parotidea of parotis). De door deze klier afgescheiden vloeistof bevat veel van het enzym amylase. Dit enzym blijft werkzaam totdat het in de maag met maagsap in contact komt. Links en rechts voor het oor bevindt zich een parotis, het is de grootste mondspeekselklier.
  • onderkaakspeekselklier (glandula submandibularis). Deze klier produceert naast speeksel ook slijm ofwel mucine.
  • ondertongspeekselklier (glandula sublingualis). De ondertongspeekselklier is voornamelijk muceus, dus levert slijm (mucine) wat dienst doet als glijmiddel.
Deze speekselklieren kunnen per dag ongeveer 1 tot 1,5 liter speeksel afscheiden. Naast deze grote klieren en veel kleine speekselklieren in het slijmvlies bevindt zich bij de tongpunt nog de tongpuntspeekselklier (glandula lingualis anterior), ook hier aan beide zijden. Deze klieren scheiden ook hoofdzakelijk slijm af (muceuze klieren).

Speeksel bestaat uit o.a. water, slijmstoffen (mucine), zouten, de enzymen amylase, lysozym of muramidase en lipase. Amylase of eigenlijk alfa-amylase (ptyaline) zet zetmeel (amylum) om in maltose (moutsuiker, een disacharide). Dit is het begin van de vertering der koolhydraten. Het speeksel is door de aanwezigheid van lysozym tevens bactericide (bacteriocide), ofwel is in staat om binnengedrongen bacteriën te doden. Het slikken wordt makkelijker gemaakt door de toegevoegde slijmstoffen. Het lipase enzym wat nodig is voor de afbraak van vetten wordt pas actief in de maag. De mond wordt ook wel os of stoma genoemd.

De keelholte (farynx of pharynx) ligt tussen de mondholte en de slokdarm (oesofagus of oesophagus). De keelholte verzorgt samen met de mondholte het verplaatsen van het reeds voorbewerkte voedsel naar de slokdarm. Noodzakelijk hierbij is een goede samenwerking van spieren in zowel mondholte als keelholte. De aansturing van deze spieren geschiedt vanuit het zogenaamde slikcentrum, wat zich in de hersenstam (medulla oblongata) bevindt. Ook in de keel wordt door klieren, de glandulae pharyngeae, slijm gevormd.

De slokdarm


De slokdarm of oesofagus is ongeveer 26 cm lang en heeft slechts een transport functie. De slokdarm is een gespierde buis die de keelholte verbindt met de ingang van de maag ofwel maagmond (cardia of pars cardiaca) en zorgt voor het transport van voedsel (voedselproppen) en vloeistof naar de maag. Het begin en eind van de slokdarm is voorzien van een kringvormige spier (sfincter of sphincter) die ter afsluiting dient, de bovenste- en onderste slokdarmsluitspier. De onderste sluitspier voorkomt terugstromen van de maaginhoud in de slokdarm (rejectie of reflux). Ook in de slokdarm wordt door klieren slijm afgescheiden, dit zijn de glandulae oesophageae.
De slokdarmwand is van binnen naar buiten gezien opgebouwd uit:

  • slijmvlies of tunica mucosa. Bekleed met meerlagig epitheel en geplooid.
  • bindweefsel of tela submucosa. Dit bindweefsel is voorzien van bloedvaten en zenuwen.
  • spierlagen of tunica muscularis. De binnenste laag bestaat uit kringspieren, de buitenste spierlaag heeft in de lengte lopende spieren.
  • bindweefsel als buitenzijde van de slokdarm.

Evenals de darmen bezit de slokdarm peristaltiek. Het krachtige samentrekken en ontspannen van de rondom- en overlangs lopende spieren zorgt voor het verplaatsen van de voedselprop (bolus of spijsbrok). Dit werkt zelfs wanneer je op je hoofd staat, dus tegen de zwaartekracht in! In de slokdarm bevinden zich bacterïen uit de voeding.

De maag of stomachus


We kunnen voor de maag verschillende benamingen tegenkomen, namelijk: gaster, stomachus en ventrikel of ventriculus.
Via de slokdarm komt de voedselprop in de maag terecht waar de verdere afbraak van stoffen begint. Deze afbraak wordt in de dunne darm vrijwel volledig voltooid. De maag kan je zien als een tijdelijke opslagruimte die omringd is door een drietal lagen krachtige spieren, denk aan het bekende gezegde 'rammelen van de honger'. De bewegingen die deze spieren maken zorgen voor het kneden van het voedsel en vermengen met maagsap. De vorm en grootte van de maag zijn afhankelijk van de hoeveelheid voorbewerkt voedsel die hij bevat. De maagwand lijkt veel op die van de slokdarm en is van binnen naar buiten gezien opgebouwd uit een:

  • slijmvlieslaag, de tunica mucosa. Wanneer de maag leeg is heeft het maagslijmvlies sterke plooien, die gladstrijken naarmate de vulling van de maag toeneemt. In de laag slijmvlies worden door verschillende soorten cellen enzymen, slijm en zoutzuur aangemaakt.
  • bindweefsellaag, de tela submucosa. Deze laag is voorzien van grotere bloedvaten, lymfklieren en lymfvaten.
  • drietal spierlagen, de tunica muscularis. De bewegingen die deze spieren maken zijn hierboven reeds genoemd.
  • vlies, de tunica serosa. Deze bekleding van buikvlies omringt de maag bijna geheel. Tunica serosa wordt ook wel sereus vlies of weivlies genoemd.

Maagsap als afscheidingsproduct van het maagslijmvlies is met een pH van 1 tot 3 zeer zuur. Het maagsap bestaat onder andere uit pepsinogeen, slijm, intrinsieke factor en - eigenlijk niet te geloven - zoutzuur. Het zoutzuur doodt bacteriën die zich in het voedsel bevinden (geeft een antiseptische werking). Het slijm dient ter bescherming van de maagwand tegen pepsine, zoutzuur, alcohol, galzouten en andere. Pepsinogeen wordt onder invloed van het zoutzuur omgezet naar het actieve pepsine. Pepsine is een enzym dat eiwitten splitst (proteolytisch) of proteïne afbreekt tot polypeptiden. Alcohol verkleint de werking van het pepsine. De intrinsieke factor van Castle is onontbeerlijk voor de opname van vitamine B12 ofwel extrinsieke factor.
Bij zuigelingen komt er ook nog rennine, wat ook wel lebferment of lebenzym wordt genoemd, in het maagsap voor. Dit zorgt voor het stremmen van melk.

In de maag zijn verschillende bacteriën actief:
  - Lactobacillen,
  - Enterococcen sp.,
  - Enterobacteriën en
  - Bacteroïdes sp.
Het betreft hier geen erg grote aantallen: zo ongeveer tot 1000 stuks per mL sap.

Een volledige afbraak van eiwitten vindt in de maag nog niet plaats, dit gebeurt in de dunne darm. Op de plaats waar de maag uitmondt in de dunne darm bevindt zich een kringvormige spier. Dit is de maagportier of pylorus die tot doel heeft de uitmonding af te kunnen sluiten. Vanuit de maag komt de nu zure voedselbrij of chymus, met kleine hoeveelheden tegelijk, in het eerste deel van de dunne darm - de twaalfvingerige darm of duodenum - terecht.

De dunne darm


De dunne darm of intestinum tenue begint bij de maagportier (pylorus). Het slijmvlies van dit deel van het kanaal heeft voor de opname van voedingsstoffen de beschikking over een zeer groot oppervlak. De wand van de dunne darm is van binnen naar buiten gezien opgebouwd uit een:

  • slijmvlieslaag, de tunica mucosa.
  • bindweefsellaag, de tela submucosa. Deze laag is uiterst rijk aan bloedvaten.
  • tweetal spierlagen, de tunica muscularis. De binnenste spierlaag heeft kringspieren (cirkelvormig). De spieren in de buitenste laag lopen in de lengterichting, ze dienen beide de peristaltiek van de dunne darm.
  • vlies, de tunica of tela serosa, een bekleding van buikvlies (peritoneum). Dit vlies wordt ook wel sereus vlies of weivlies genoemd.

Dankzij circulaire plooien in het slijmvlies (mucosa) en darmvlokken (villi) heeft de dunne darm een - t.o.v. een gladde buis - vele malen groter werkzaam oppervlak. Een villus, het enkelvoud van villi, is een soort heuveltje. Er bevinden zich een massa villi op elke plooi. Er wordt in dit deel van de darm ook darmsap geproduceerd wat benodigd is voor het afbreken (de splitsing) van eiwitten, vetten en koolhydraten.
De dunne darm bestaat uit verschillende delen, namelijk de:

  • twaalfvingerige darm of duodenum. Het duodenum heeft een lengte van ongeveer 28 cm. Dat is 12 keer de breedte van een vinger, vandaar dus die naam twaalfvingerig. In het duodenum monden de galbuis (ductus choledochus) en de alvleesklierbuis (ductus pancreaticus) uit. Op deze plaats - een verhevenheid van het slijmvlies, de papil van Vater ofwel papilla duodeni (papilla vateri) genoemd - wordt dus, het voor de spijsvertering noodzakelijke, gal (uit de galblaas) en pancreassap (uit de pancreas) gemengd met de chymus of voedselbrij die de maag net verlaten heeft. De pancreas produceert circa 1 tot 2 liter sap of secreet in een etmaal. De al eerder genoemde plooien en vlokken zijn hier hoog en talrijk.

    In dit eerste deel van de dunne darm vinden we klieren, de klieren van Brunner, die een product afscheiden wat het slijmvlies bescherming biedt tegen de zure brij (chymus) uit de maag. De darmwand produceert het darmsap met daarin ook enzymen. Het enterokinase enzym zet het niet werkzame pro-enzym trypsinogeen om in trypsine wat eiwitten kan verteren (splitsen). De zure toestand waarin de darminhoud verkeert wordt in dit deel van de dunne darm geneutraliseerd door het alkalische sap uit de alvleesklier. Verschillende enzymen kunnen nu hun taak beter uitvoeren terwijl tevens het darmslijmvlies tegen het bijtende zuur wordt beschermd. Naast vetten, die geëmulgeerd worden door de gal, worden nu ook de eiwitten en koolhydraten verder afgebroken tot respectievelijk aminozuren en suikermoleculen. Emulgeren is het grondig mengen van deeltjes in een vloeistof (emulsie). De aminozuren, suikermoleculen en vetzuren worden door de wand van de dunne darm opgenomen en aan het bloed en de lymfvaten afgegeven.

    Voornamelijk in de twaalfvingerige darm worden de in water oplosbare vitaminen, uitgezonderd vitamine B12, opgenomen. De in vet oplosbare vitaminen - vitamine A, D, E en K - worden samen met het vet opgenomen. De aanwezigheid van galzuren in de darm bevordert de opname van deze vitaminen.

    In de twaalfvingerige darm vinden we vrijwel dezelfde bacteriën als in de maag:
      - Lactobacillen,
      - Enterococcen sp.,
      - Enterobacteriën en
      - Bacteroïdes sp.
    Het betreft ook hier geen erg grote aantallen: zo ongeveer 1000 stuks per mL sap of wat meer.

  • bocht of flexura duodenojejunalis waar de twaalfvingerige darm overgaat in de nuchtere darm.
  • nuchtere darm of jejunum met een lengte van ongeveer 2,5 m. In het laatste stuk van dit deel van de dunne darm wordt vitamine B12 opgenomen. Ook hier vinden we de al eerder genoemde plooien en vlokken die hoog en talrijk zijn. De hoogte en het aantal hiervan neemt naar de kronkeldarm toe af. De nuchtere darm gaat over in de kronkeldarm, er is echter geen duidelijke scheiding tussen deze twee delen.
  • kronkeldarm of ileum. Ook in de kronkeldarm wordt vitamine B12, na eerst een verbinding met de in het maagsap afgescheiden intrinsieke factor van Castle te zijn aangegaan, opgenomen. De plooien en vlokken verdwijnen in dit gedeelte van de dunne darm geleidelijk. Met een lengte van ongeveer 3,5 m gaat het ileum over in de dikke darm.

    In de kronkeldarm vinden we vrijwel dezelfde bacteriën als in de twaalfvingerige darm:
      - Bacteroïdes sp.,
      - Lactobacillen,
      - Enterococcen sp. en
      - Enterobacteriën en
    Het betreft hier veel grotere aantallen: tot miljarden stuks per gram ontlasting. De Bacteroïdes zijn, ook naar aantal, naar de eerste plaats verschoven.

De dunne darm heeft dus een flinke lengte, totaal ongeveer 6 meter. De doorsnede neemt vanaf het begin tot het eind iets af en is gemiddeld ongeveer 4 cm. Ook de dunne darm maakt peristaltische bewegingen (peristaltiek). De darm heeft een dubbele laag spierweefsel. De ene laag heeft de spiervezels haaks op de lengterichting, de tweede laag evenwijdig aan de lengterichting. Het samentrekken en weer verslappen van de kringspieren en overlangs lopende spieren zorgt voor het verplaatsen van de darminhoud. De buikholte wordt door dit gedeelte van het darmkanaal voor een groot deel gevuld. Het eind van de dunne darm, bij de klep van Bauhin of ileocaecale klep (valva ileocaecalis), bevindt zich boven de plaats waar de dikke darm begint.

De dikke darm


De dikke darm of intestinum crassum, die volgt op de dunne darm, is het laatste deel van het darmkanaal en is ongeveer 120 cm lang bij gemiddeld 7 cm in doorsnede. De belangrijkste eigenschappen en functies van het colon bestaan uit de:

  • secretie (secretio) of afscheiding van vochten (secreten of secreta). De slijmbekercellen die zich aan de oppervlakte van het darmepitheel bevinden produceren slijm ofwel mucos wat onder andere bescherming aan de darmwand biedt en tevens als glijmiddel dienst doet. Verder waterstofcarbonaat (HCO3) wat door de alkalische werking bescherming tegen zuur geeft. Van diverse medicijnen op basis van chloride is bekend dat ze de darmwand aantasten.
  • absorptie of opslorping, in staat om stoffen in zich op te nemen. In dit gedeelte van het darmkanaal worden water, galzuren en electrolyten - basen, zouten en zuren - opgenomen.
  • bacteriële flora [noot 1]. Men onderscheidt hier de:
    • aërobe flora, deze bacteriën houden van zuurstof.
    • anaërobe flora, deze bacteriën willen geen zuurstof in hun omgeving.
    In een gezonde darm leven de verschillende kolonies bacteriën samen (symbiose of symbiosis) [noot 2].
  • immuniteit of afweer van het lichaam. De darm produceert o.a. de zogenaamde immunoglobulinen en anti-biotische stoffen. Deze laatste hebben een werking die te vergelijken is met antibiotica. De eerstgenoemde immunoglobulinen gaan de strijd aan met bacteriën, micro-organismen, toxinen (schadelijke stoffen, vergif), virussen en lichaamsvreemde eiwitten.
  • peristaltiek, de voortschreidende samentrekkende bewegingen van de darm om zodoende de inhoud voort te bewegen.
  • defeacatie of defaecatio. De onbenutte, onbruikbare en onverteerbare restanten uit de voeding worden door de dikke darm, als ontlasting of feces, via de endeldarm en anus afgevoerd (de stoelgang).

Dit gedeelte van het darmkanaal wordt bevolkt door een welhaast onvoorstelbaar groot aantal bacteriën en bezit geen darmvlokken. Het orgaan is opgebouwd uit de volgende delen:

  • blindedarm of intestinum caecum (ook: cecum of coecum) met appendix of wormvormig aanhangsel van ongeveer 9 cm lengte. Het caecum vormt met een lengte van ongeveer 6,5 cm het begin van de dikke darm. In de dikke darm worden o.a. water, galzuren, zouten en vluchtige vetzuren uit de voedselbrij opgenomen en wat slijm afgescheiden. Verder worden er nog stoffen opgenomen die de dunne darm niet heeft kunnen verwerken, die niet de juiste vorm hadden of die eerst nog moeten worden afgebroken door de aanwezige darmbacteriën. Wat overblijft is ontlasting (feces) die natuurlijk afgevoerd moet worden (poepen). De blinde darm gaat over in het colon ofwel de karteldarm. Deze kan je zien als een soort omlijsting van de kluwen kronkels (convoluut) van de dunne darm.
  • opstijgend deel of colon ascendens, gelegen in de rechterflank van de buik en loopt rechts naar boven tot bij de lever.
  • flexura coli dextra of flexura hepatica coli, de bocht die het colon bij de lever maakt. Het colon ascendens gaat hier over in het colon transversum.
  • dwarslopend deel of colon transversum loopt direct achter de voorste buikwand en onder de maag links tot aan de milt. Dit deel bevindt zich dus tussen het opstijgende en afdalende deel van het colon.
  • flexura coli sinistra of flexura lienalis coli, een bocht die de dikke darm bij de milt maakt. Hier gaat het colon transversum over in het colon descendens.
  • afdalend deel of colon descendens, gelegen in de linkerflank van de buik. Gaat in het bekken over naar het colon sigmoïd.
  • s-vormig deel of sigmoïd (colon sigmoideum). Dit gedeelte loopt met een s-vormige kromming het bekken binnen en verloopt dan langs de voorzijde van het sacrum of heiligbeen om vervolgens in de endeldarm over te gaan.
  • endeldarm of intestinum rectum, het laatste - circa 14 cm lange - deel tussen de dikke darm (colon) en de aarsopening. De endeldarm fungeert als tijdelijke opslagplaats voor de ontlasting. Het laatste stuk van de endeldarm - die een lengte heeft van ongeveer 4,5 cm - heet canalis analis en de uitmonding heet aarsopening of anus (sluitspier of sfincter).

In de dikke darm worden de onverteerbare en niet op te nemen bestanddelen uit de inhoud van de darm door het onttrekken van water ingedikt. Ook de dikke darm heeft, net als de dunne darm, de dubbele laag spierweefsel wat met massa-bewegingen de ontlasting richting anus stuwd. Via de anus verlaten deze voedselresten samen met een groot aantal bacteriën en de door de darm afgestoten epitheelcellen, in de vorm van ontlasting, het lichaam. De bruine kleur van de ontlasting wordt veroorzaakt door de zich in de gal bevindende kleurstoffen.

De dikke darm kent wat verschillen ten opzichte van de dunne darm, namelijk:
  - haustra, een haustrum is een op regelmatige afstand voorkomende uitpuiling in de wand.
  - taeniae coli, drie - nu smalle - spierbanden in lengterichting (longitudinaal).

In de dikke darm worden de meeste, zowel in aantal als soort, bacteriën aangetroffen. Bacteriën zoals:
  - Bifidobacteriën, Bacteroïdes sp.,
  - Enterobacteriën, Enterococcen,
  - Lactobacillen, Clostridiën sp.,
  - Fusobacteriën, Veillonella sp.,
  - Staphylococcen, gisten,
  - Proteus sp. en Pseudomonas sp.
Het betreft hier veel grotere aantallen dan in de andere delen van de darm: tot miljoen x miljoen stuks per gram ontlasting, een 1 met 12 nullen er achter! [noot 3].

Klachten en aandoeningen


Aangezien de processen in het spijsverteringskanaal zich afspelen in het grensgebied tussen het inwendige milieu van het lichaam en de buitenwereld, via de mond en de anus, tobben best wel veel mensen met een probleem in dit kanaal.

Veel voorkomende klachten zijn onder andere:
  • bloedingen (acuut of occult en chronisch),
  • buikpijn (acuut, knagend, stekend of zeurend),
  • diarree (acuut of chronisch),
  • hardlijvigheid of verstopping (constipatie of obstipatie),
  • misselijkheid en braken,
  • opgeblazen gevoel door een ophoping van gas (flatulentie) wat gepaard gaat met het vaak laten van winden (je kan ze maar beter kwijt zijn, andere mensen worden hier echter vaak niet vrolijk van...),
  • problemen met slikken (slikklachten of dysfagie),
  • stoornis in de spijsvertering (indigestie),
  • tumoren (darmkanker) en
  • zuurbranden (pyrosis).
Minder vaak optredende aandoeningen zijn onder andere:
  • colitis ulcerosa (CU of UC),
  • lekkende darm syndroom,
  • prikkelbare darm syndroom (IBS of PDS) en de
  • ziekte van (morbus) Crohn (CD).

Een flink aantal van deze klachten is goed te diagnostiseren met behulp van een onderzoek van de ontlasting wat in een laboratorium uitgevoerd kan worden.
Voetnoten:
[1] Onverteerbare stoffen in de voeding worden door bacteriën verbruikt.
[2] In de symbionte darmflora treft men verschillende vitaminen aan: vitamine B1, B2, B5, B6, B12, K, biotine en foliumzuur.
[3] Er blijkt een aanzienlijk verschil te bestaan in de verhouding van de kolonies bacteriën tussen kinderen die langs de natuurlijke weg geboren zijn en deze die via een keizersnede het daglicht zagen, dit in het voordeel van de natuurlijke geboorte. Een vergelijk tussen kinderen die borstvoeding dan wel flesvoeding van de moeder kregen toont een vergelijkbare uitkomst, hier duidelijk in het voordeel van de borstvoeding.
Omhoog