De hormonen

Ook bij een hormoon (het Grieks hormao is aandrijven of aanzetten) hebben we het weer over een in het lichaam gevormde chemische (signaal-) stof. Hoe kan het ook anders, het hele lichaam is eigenlijk een soort wandelende chemische fabriek.
Hormonen worden aangemaakt door cellen met een speciale taak. Dit zijn veelal zogenaamde endocriene (endo betekent binnenin, krino is afscheiden) klieren met een interne afscheiding (secretie of secretio) van vochten (secreten of secreta). Dit betreft dan een eiwit, aminozuur of steroïd. Zij worden afgegeven aan het bloed en getransporteerd naar bepaalde organen. Er treedt in het lichaam al een reactie op bij een zeer kleine hoeveelheid hormonale stof. Hieruit volgt dat de afgifte van elk hormoon binnen nauwe grenzen moet worden geregeld.
Omhoog

Deze hormonen, het zijn eigenlijk net boodschappenjongens, coördineren de verschillende biochemische processen die in het lichaam plaatsvinden en kunnen deze zowel stimuleren (releasing) als afremmen (inhibiting).
Een aantal voorbeelden hiervan zijn: de stofwisseling, de waterhuishouding, de voortplanting, de celdeling, de temperatuur van het lichaam, de groei en ontwikkeling, het karakter en gedrag van de mens ten opzichte van de omgeving.
De belangrijkste organen van het endocriene stelsel zijn de hypothalamus, de hypofyse, de schildklier, de bijschildklieren, de bijnier, de alvleesklier, de zaadballen van de man en bij de vrouw de eierstokken.

Hypothalamus


Het onder de hersenen liggende limbische systeem bevat onder andere de hypothalamus. De hypothalamus is een belangrijk centrum en deel van de tussenhersenen (diëncephalon). Deze tussenhersenen bestaan uit de thalamus, de epithalamus en de hypothalamus. De meeste endocriene en vegetatieve processen in het lichaam worden samen met de hypofyse geregeld door de hypothalamus. Hier worden zenuwprikkels vertaald naar hormonen - het zijn veelal peptiden oftewel verbindingen van aminozuren - die vervolgens terecht komen bij een andere endocriene klier, de hypofyse.
Zodoende kan de hypothalamus de afgifte van hormonen uit de hypofyse groter of kleiner maken. Door middel van 'releasing hormoon' (of factor) liberine wordt de afgifte van hormonen door de hypofyse verhoogd. Het 'inhibiting hormoon' (of factor) statine echter verlaagd deze afgifte. De hypothalamus en hypofyse vormen zo samen een functionele eenheid. De term 'factor' wordt gebruikt wanneer de opbouw en werking van een hormoon nog niet volledig duidelijk is.
Omhoog

De belangrijkste hormonen en factors van de hypothalamus die invloed uitoefenen op de adenohypofyse (zie ook hieronder bij hypofyse):
  • TRH, het thyrotropine releasing hormoon of thyroliberine. Thyroliberine bevordert in de hypofyse voorkwab (HVK) de afgifte van thyrotropine of thyroïd (thyroidea) stimulerend hormoon (TSH).
  • GnRH, het gonadotropine releasing hormoon of gonadoliberine. Gonadoliberine reguleert in de hypofyse voorkwab het LH en FSH (zie ook hier onder).
  • GHRH, het groei hormoon releasing hormoon. De twee werkzame stoffen in dit hormoon zijn somatotropine en somatoliberine.
  • CRH, het corticotropine releasing hormoon of corticoliberine. Het corticoliberine hormoon zet de hypofyse er toe aan ACTH af te scheiden.
  • Dopamine, zet de hypofyse aan tot het uitscheiden van prolactine of PRL.
  • Somatostatine, zet de hypofyse aan tot het maken van GH of STH.
Het centrale zenuwstelsel (CZS) zorgt er in de meeste situaties voor dat er een hormoon afgescheiden gaat worden. Dit wordt dan in gang gezet door het afgeven van een nerveuze (zenuw) prikkel aan de hypothalamus.

Hypofyse of hypophysis cerebri


Dit orgaan, ter grootte van een erwt en ook wel bekend als het hersenaanhangsel of glandula pituitaria, ligt onmiddelijk onder de hypothalamus. De hypofyse bestaat uit twee delen, namelijk een voorste kwab en een achterste kwab. In de voorkwab (HVK), dit is het kliergedeelte en adenohypofyse genaamd, worden hormonen gevormd die de meeste andere endocriene klieren aanzetten tot het produceren van ook weer hormonen. Er vindt in deze kwab evenwel ook een productie plaats van hormonen die rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van enige andere endocriene klier, invloed hebben op het organisme. De voorkwab legt ongeveer vier keer meer gewicht in de schaal dan de achterkwab.
Omhoog

De hormonen die tot productie aanzetten zijn:
  • ACTH, het adrenocorticotroop hormoon of corticotropine.
    Corticotropine beïnvloed de schors (cortex) van de bijnieren (adrenes) en zet deze zo aan tot het produceren en afgeven van corticosteroïden (corticoïden).
  • FSH, het follikel stimulerend hormoon of follitropine.
    De doelorganen van FSH zijn de geslachtsklieren of gonaden. Dit hormoon stimuleert bij de man het produceren van zaadcellen (sperma of semen), de spermatogenese of spermiogenese (spermiogenesis) door de zaadballen. Bij de vrouw wordt de groei en het rijpen van de Graafse follikels (blaasjes) in de eierstokken of ovaria gestimuleerd. FSH is net als LH, zie hier direct onder, een zogenaamd gonadotroop hormoon.
  • LH, het luteïniserend (luteotroop) hormoon of luteotropine.
    Het FSH en LH zijn beide gonadotrofinen of gonadotropinen (GSH) en reguleren de voortplantingsfuncties. Bij de vrouw wordt de aanmaak van oestrogeen en progesteron gestimuleerd door deze hormonen.
    Het LH veroorzaakt bij de vrouw de maandelijkse eisprong of ovulatie, het openspringen van een Graafse follikel in een eierstok of ovarium. Het hormoon stimuleert tevens de ontwikkeling van het geel lichaam of corpus luteum in de eierstok. Bij de man zorgt het LH voor de productie van testosteron door de tussencellen van Leydig in de zaadballen of testes te stimuleren. Het LH blijkt bij de man identiek aan ICSH, het interstitiële cellen stimulerend hormoon.
    Verder regelen FSH en LH de mannelijke maar ook vrouwelijke geslachtskenmerken. Denk hierbij onder andere aan de haargroei - op de juiste plaats en in een gepaste hoeveelheid - op het lichaam, de dikte en structuur van de huid, de spiervorming, de hoogte van de stem en waarschijnlijk ook de persoonlijkheid. Tijdens de menstruatie treden er schommelingen op in de afgifte van deze beide hormonen.
  • TSH, het thyroïd stimulerend hormoon of thyrotropine (thyreotropine).
    Thyrotropine stimuleert alleen de schildklier tot de aanmaak en het afgeven van een aantal schildklierhormonen. Zie verder bij schildklier lager op deze pagina.
Omhoog
De rechtstreeks op de organen werkende hormonen zijn:
  • GH, het zogenaamde groeihormoon.
    Het groeihormoon is in alle weefsels van het lichaam werkzaam en bevordert het verbinden van eiwitten (eiwitsynthese) in alle cellen. Het reguleert de ontwikkeling en de groei, ook van de botten in het skelet. De afkorting STH, welke staat voor somatotroop hormoon of somatotropine (somatotrofine) wordt ook gebruikt.
  • PRL of prolactine (lactotropine).
    Dit hormoon heeft nog een aantal namen, namelijk: het lactotroop hormoon of LTH, luteotroop hormoon of LTH, lactogeen en mammotroop hormoon. De laatste naam is eigenlijk best toepasselijk, prolactine brengt de productie van melk in de borsten (mammae) op gang nadat de bevalling heeft plaatsgevonden. Het stimuleert ook de afscheiding of secretie van de moedermelk.
In de achterkwab van de hypofyse (HAK), dit is het hersengedeelte wat de neurohypofyse als naam draagt, worden geen hormonen gevormd. Er vindt hier uitsluitend opslag plaats van hormonen die uit de hypothalamus afkomstig zijn. Het gaat hierbij om de volgende hormonen:
  • ADH, het antidiuretisch hormoon. Dit hormoon zorgt ervoor dat de urineproductie binnen de perken blijft en dat de nieren water vasthouden (resorptie). Verder zorgt het voor vernauwing van de vaten, de vasoconstrictie en reguleert samen met aldosteron de water- en zouthuishouding. ADH wordt ook wel vasopressine of VP genoemd.
  • Oxytocine, een hormoon dat aan het einde van de zwangerschap de weeën - de samentrekkingen der spieren van de baarmoeder (uterus) vlak voor de bevalling - regelt maar ook direct erna zodat een te hevige bloeding voorkomen wordt. Een andere taak is het, door samentrekken van spierweefsel in de borstklier, uitdrijven van de melk tijdens het zogen.
Omhoog
Deze twee hormonen kunnen worden afgegeven aan het bloed zodra de hypothalamus de neurohypofyse daartoe de aanzet geeft en hebben een directe invloed op de doelorganen.

Schildklier of thyroïd


De schildklier of glandula thyroidea ligt voor de luchtpijp, onder het strottenhoofd in de hals. Hier worden de volgende hormonen gevormd:
  • Calcitonine. Remt botontkalking en helpt, samen met parathormoon (PTH) het gehalte aan calcium in het bloed te verlagen.
  • Tri-jodothyronine (tri-joodthyronine of T3). Het gedeelte T3 wat wordt afgescheiden door de schildklier is ongeveer 25% van het totaal, de rest wordt door de lever en andere organen omgezet. Dit hormoon heeft invloed op de grondstofwisseling oftewel basaal-metabolisme.
  • Thyroxine (tetrajodothyronine, tetrajoodthyronine of T4). T4 beïnvloedt de cellen in het gehele lichaam, de stofwisseling of metabolisme, de lichaamstemperatuur en de groei.
T3 en T4 hebben invloed op de groei en rijping, in het bijzonder van beenderen en hersenen. Samen beïnvloeden ze ook de werkzaamheid van weer andere hormonen. De werking van T3 in het organisme is sneller en krachtiger dan die van T4. Een goede werking van de schildklier is een ingewikkeld samenspel van verschillende organen.

Bijschildklieren of parathyroïden


Omhoog
Deze orgaantjes (glandulae parathyroideae), het zijn er vier of meer, liggen op de achterzijde van de schildklier. Ze produceren het parathormoon of PTH. Andere namen hiervoor zijn: parathyrine of parathyroïd hormoon. PTH stimuleert de opname of resorptie van calcium in het maagdarmkanaal en de nieren, in deze laatsten ook de beïnvloeding van de fosfaatresorptie. Zodoende worden de calcium- en fosfaatspiegels in het bloed gereguleerd maar dit geldt ook voor de botvorming.

Bijnier of glandula suprarenalis


De dubbelzijdige bijnier ligt boven de nieren en heeft twee, functioneel gezien, verschillende delen: het merg en de schors. Een drietal zone's in deze schors scheiden een aantal verschillende corticosteroïden af, waaronder glucocorticoïden (zoals cortisol en in mindere mate cortison), androgenen (mannelijke hormonen) en mineralocorticoïden zoals testosteron. In deze schors of cortex vindt de vorming plaats van onder andere de volgende bijnierschors (BNS) of steroïdhormonen:
  • Aldosteron. Dit hormoon is een zogenaamd mineralocorticosteroïd en regelt samen met ADH de zout- en waterhuishouding, op de eerste plaats in de nieren. Het remt (retentie) de uitscheiding van natrium en verhoogt de hoeveelheid kalium die uitgescheiden wordt. Aldosteron heeft ook controle over het volume van vocht in het lichaam en beïnvloed de bloeddruk. De productie van aldosteron wordt ook nog gestimuleerd door een ander hormoon, namelijk angiotensine II of angiotonine.
  • Cortisol of hydrocortison. Dit is het belangrijkste glucocorticoïd hormoon en het bezit een veelzijdige werking. Het beïnvloedt de stofwisseling van aminozuren en koolhydraten, de bloedsomloop en het hart, de productie van maagsap, vertraagt de uitscheiding van water in de nieren, regelt de vorming van glucose uit eiwitten (dit is de gluconeogenese), remt ontstekingen en diverse allergische reacties en werkt tegen stress (dorst, honger en temperatuurwisselingen).
  • Geslachtshormonen. Ook in de bijnierschors (BNS) wordt, net als in de teelballen (testes of zaadballen) het testosteron hormoon aangemaakt, zij het hier in een wat geringere hoeveelheid.
Omhoog
Alle hormonen die de bijnierschors produceert lijken, chemisch gezien, op elkaar en behoren tot de steroïden. Ze worden, na verschillende tussenstappen te hebben doorlopen, allemaal omgezet uit cholesterol. De afbraak vindt voornamelijk in de lever plaats en het uitscheiden gebeurt met de urine en, ten dele, ook via de gal. De werking van de bijnieren kan geremt worden door het slikken van corticosteroïden zoals prednison of door het behandelen tegen schimmelinfecties met ketoconazol.

In het merg of medulla van de bijnier (het binnenste deel van de bijnier) worden de volgende hormonen afgescheiden:
  • Adrenaline (A) of epinefrine. Tyrosine is de basis waaruit, na een aantal tussenstappen, adrenaline en noradrenaline gevormt worden. Adrenaline is een hormoon dat actief wordt in stress of noodsituaties.
  • Noradrenaline (NA) of norepinefrine. Dit is een neurotransmitter die werkzaam is in delen van de hersenen en het vegetatieve zenuwstelsel.
Samen worden A en NA catecholaminen genoemd. In het menselijk lichaam wordt er van A ongeveer 4x meer aangemaakt dan van NA. Wanneer het lichaam in een soort alarmfase geraakt of stress ervaart wordt er meer catecholamine aangemaakt. Een aantal voorbeelden en de prikkel hiertoe zijn: angst, hitte, koude, opwinding, lichamelijke arbeid, sporten en pijn. In het geval van sport en arbeid is het vanzelfsprekend noodzakelijk om de spieren van extra energie (brandstof of glycogeen) te voorzien. Deze brandstof wordt aangesleept door extra vet te 'verbranden' (lipolyse). Daarnaast moeten er nog verschillende andere processen in het lichaam aangepast worden, denk maar aan de hartprestatie en een stijging van de bloeddruk.

Alvleesklier of pancreas


Dit langwerpige orgaan ligt grotendeels achter de maag. De alvleesklier scheidt het pancreassap af wat belangrijk is voor onze spijsvertering. De belangrijkste hormonen van de alvleesklier zijn:
  • Glucagon. Beïnvloedt de stofwisseling van koolhydraten en vetten. De werking van dit hormoon is veelal tegengesteld (antagonist) aan die van insuline.
  • Insuline. Dit hormoon beïnvloedt de eiwit-, suiker- en vetstofwisseling in het gehele lichaam. Het wordt ook gebruikt bij mensen die lijden aan suikerziekte (diabetes).
Omhoog
Het insuline hormoon zorgt voor het dalen van de bloedsuikerspiegel of glucosespiegel. Glucagon daarentegen verhoogt deze spiegel door de lever aan te zetten om glycogeen om te zetten in glucose. Samen kunnen deze hormonen de bloedsuikerspiegel dus keurig op peil houden. Wanneer er een verstoring van deze wisselwerking ontstaat, met name de productie van insuline, zal de zogenaamde suikerziekte of diabetes mellitis optreden. Beide hormonen worden geproduceerd door de celgroepen of eilandjes van Langerhans, glucagon door de A-cellen en insuline door de B-cellen. Verder worden hier nog twee enterohormonen (chemitters) aangemaakt, te weten gastrine en somatostatine door de D-cellen.

Zaadballen, testikels of testes


In een zaadbal (teelbal, testikel, testis of orchis) wordt het mannelijke geslachtshormoon testosteron geproduceerd. Dit hormoon zorgt voor de vorming van zaad (spermatogenese, spermiogenese of spermiogenesis), bevordert de geslachtsdrift (libido sexualis) en stuurt de bepaalde mannelijke eigenschappen.

Eierstokken of ovaria


De twee eierstokken, het enkelvoud is ovarium, vormen de vrouwelijke geslachtshormonen:
  • Oestrogeen of estrogeen. Oestrogenen reguleren de ontwikkeling en instandhouding van de vrouwelijke secundaire geslachtskenmerken en het voortplantingssysteem.
  • Progesteron. Ook progesteron behoort tot de steroïdhormonen. Het wordt gevormt in het gele lichaam (corpus luteum) van de eierstok (ovarium). De baarmoeder (uterus) wordt door dit hormoon gereed gemaakt voor de zwangerschap en de ontwikkeling van de melkklieren wordt gestimuleerd (melksecretie).
Ook bij deze twee hormonen treden periodieke schommelingen in de bloedspiegel op tijdens de maandelijkse menstruatiecyclus.
Er is in de praktijk voldoende testmateriaal voorhanden om ook deze hormonen door middel van bioresonantie of electroacupunctuur te controleren.
Omhoog