De mineralen en sporenelementen

Misschien denkt u bij het woord mineralen enkel aan een hele verzameling, al dan niet mooi glimmende, stenen van de overbuurman. Veel van onze dagelijkse voedingsmiddelen bevatten ook verschillende van deze niet-organische (anorganische) stoffen. Naast de vitaminen spelen ook deze mineralen en sporenelementen (of spoorelementen) een onmisbare rol in onze stofwisseling (metabolisme). De mineralen worden ook wel macro-elementen genoemd. Macro omdat ons lichaam er ten opzichte van de sporenelementen relatief veel van nodig heeft. We meten hier vrijwel altijd in milligrammen (mg).

We kunnen ons terecht afvragen of we nu genoeg van deze 'stofjes' in ons lichaam binnen krijgen. In vroeger tijden moesten we het bijvoorbeeld gewoon doen met de groenten die het lopende seizoen ons bood. Nu worden de bananen, broccoli en weet ik niet wat vanuit allerlei streken op de aardbol naar ons ingevlogen ...
De aangeboden hoeveelheid mineralen en het verbruik ervan wordt door een aantal factoren beïnvloed. Enige voorbeelden hiervan:
  • Moderne gewoonten van eten en drinken zoals 'de chinees' om de hoek, een pizza, een 'kant en klaar' maaltijd of zo maar een 'vette hap uit de muur' al dan niet opgestookt in onze magnetron. Ook het drinken van plassen frisdrank en koffie of het verorberen van tussendoortjes zoals chips, snacks en zoutjes is bij veel mensen - vaak ook urenlang weggezakt in het bankstel - een soort dagelijkse routine geworden.
  • Verarming of uitputting van het mineraalgehalte in de landbouwgronden.
    Hier is wereldwijd al onderzoek naar gedaan. Sinds 1985 is bij appels, aardappelen en bloemkool het gehalte aan mineralen en vitaminen met zo'n 60 tot 80% afgenomen!
  • Raffinage of polijsten van bijvoorbeeld suiker, meel en rijst. Men noemt dit het product een 'zuiverings'-proces doen ondergaan ...
  • Conservering. Voedingsmiddelen en spijzen door middel van conserveringsmiddelen minder ontvankelijk tegen bederf maken. Denk hierbij eerst en vooral maar aan het grote aantal additieven dat de industrie ter beschikking staat.
  • Lichamelijke en geestelijke belasting of activiteit.
  • Stress. Binnen de geneeskunde een toestand die mechanismen voor de afweer opstart.
  • Alcoholgebruik (of misbruik). Dit komt helaas ook bij jongeren steeds meer voor.
  • Luchtvervuiling (smog). De luchtvervuiling blijkt in Nederland verantwoordelijk te zijn voor 14% van alle sterfgevallen. Dit waren er het afgelopen jaar (2007), naar ik meen, een kleine
    Omhoog
    vierduizend!
  • PCB's en dioxinen. Een dioxine is bijvoorbeeld een middel om onkruid te verdelgen (herbicide). Dit soort middelen concentreren zich in de grondstoffen waaruit verschillende voedingsmiddelen gemaakt worden.
  • Vervoer over, ook al gaat het snel, grote afstanden. Denk hierbij maar aan onrijp geplukt fruit.
  • Opslag. Een bepaald niet gering percentage gaat tijdens deze periode van tijdelijk ergens opslaan verloren. Misschien ook een engelendeel net als bij het distilleren?
  • Het gebruik van geneesmiddelen.
  • Het lichaamsgewicht.
  • Een groot deel gaat tijdens het bereiden over in het kookwater dat menigeen domweg door de gootsteen spoelt ...
  • Naarmate we meer verjaardagen gevierd hebben wordt het opnemen van verschillende stoffen in het lichaam minder efficiënt en gaan we bovendien ook minder eten ...
Ons lichaam kan een aantal vitaminen zelf aanmaken, maar met mineralen is dat volstrekt onmogelijk. De mineralen maken voor ongeveer 5% deel uit van het totale lichaamsgewicht. De mineralen en spoorelementen worden in het lichaam opgenomen via de dunne darm en het eerste deel van de dikke darm.
Mineralen en spoorelementen in de vorm van supplementen worden in het algemeen beter opgenomen dan deze die in de gemiddelde voeding voorkomen. Verder kan de werking van het ene mineraal vaak in positieve of negatieve zin beïnvloed worden door één of meerdere andere mineralen. Zo zijn bijvoorbeeld kalium en natrium qua werking onafscheidelijk met elkaar verbonden in verband met de waterhuishouding in het lichaam. IJzer met koper zijn weer onontbeerlijk bij de vorming van rode bloedlichaampjes. Een teveel aan zink heeft een negatieve invloed op de opname van koper in onze darmen. Een tekort aan mineralen komt vaak voor.

Hieronder staat de lijst met de verschillende mineralen en sporenelementen die met behulp van enige testdozen en de Bicom of met Electroacupunctuur uit te testen zijn.
Er is ook een interessante pagina om even een kijkje op te nemen. Daar vergelijken we de ingrediënten van een drietal multi's met mineralen.

Omhoog


De mineralen


Calcium, kalium, magnesium en natrium zijn metalen. Zij behoren in opgeloste vorm tot de electrolyten en zijn allen positief geladen. Chloor, fosfor en jood zijn niet-metalen. Bijna alle macro-elementen in het organisme fungeren als bouwstoffen en wanneer eenmaal opgelost als electrolyten. Deze electrolyten vinden we in het bloed (serum), de cellen en de ruimte tussen de cellen (extracellulair). Voor een goed functionerend en gezond lijf moeten de concentraties van deze electrolyten nauwkeurig bewaakt en bijgeregeld worden door het lichaam.

Calcium (Ca):

Een voor ons organisme onmisbaar element is calcium wat in de volksmond ook wel gewoon kalk genoemd wordt. Van de ongeveer 1000 tot 1500 gram calcium die zich in ons lichaam bevindt komt circa 98% voor in de botten of het skelet. Het wordt als calciumfosfaat of apatiet in het bot opgeslagen. Calcium hebben we nodig voor de opbouw en verder onderhoud van onze botten en het gebit.

De aanwezige hoeveelheid wordt in een voortdurend proces opgebouwd maar ook weer afgebroken. Voor ons twintigste levensjaar is de opbouw groter dan de afbraak. De volgende, plusminus twintig, jaren is dit proces van afstervende botcellen en het vormen van nieuwe vrijwel met elkaar in evenwicht. Daarna, zo ongeveer vanaf onze veertigste verjaardag, is de afbraak (degeneratie) groter dan de opbouw (regeneratie) en helaas onontkoombaar! De resterende 2% calcium is ook benodigd voor een goede spierfunctie, de bloedstolling, werking van de zenuwstelsels (neurotransmitters en mediatoren) en de productie van hormonen.
De uitscheiding van calcium via de urine wordt verhoogd door het nuttigen van alcohol, cafeïne (dit zit in cola, koffie en thee) en zout.

Bij een tekort of hypocalciëmie kunnen vermoeidheid, depressiviteit, spierpijn, spierzwakte,
Omhoog
nervositeit, slapeloosheid, prikkelbaarheid en hartkloppingen ontstaan.
Een chronisch tekort aan calcium zal uiteindelijk leiden tot botverweking (osteomalacie of osteomalacia), botontkalking (osteoporose of osteoporosis) bij volwassenen of verschijnselen van Engelse ziekte (rachitis) bij kinderen. Bij vrouwen verloopt de botafbraak na de menopauze veel sneller, dit wordt veroorzaakt door hormonen (oestrogenen of estrogenen). Voor de opname van calcium is de aanwezigheid van een voldoend grote hoeveelheid vitamine D een absolute must. Een calciumgebrek komt algemeen voor.

De belangrijkste natuurlijke bronnen zijn de meeste kazen, tuinkers (ook wel sterrekers of sterkers), vijgen, garnalen, melk, mosselen, schol, broccoli, chinese kool, rammenas, spinazie (ook diepvries) en boerenkool.

Chloor (Cl) of chloride:

Chloor komt voor als natriumchloride (keukenzout of tafelzout) en kaliumchloride. Dit halogeen reguleert het zuur/base evenwicht in het bloed en is onderdeel van het maagzuur. Het komt in de maag voor als zoutzuur (waterstofchloride of HCl) en speelt zo een rol in de spijsvertering.
Het werkt samen met kalium en natrium en is betrokken bij de vochthuishouding. Bij een gebrek kunnen er geheugenverlies, een gebrekkig samentrekken van spieren (contractie) of een slechte spijsvertering (denk hier aan het maagzuur) ontstaan. Een te laag gehalte aan chloor in het bloed wordt hypochloremie genoemd. Een te klein gehalte aan zoutzuur in het maagsap heet hypochloorhydrie. Onze belangrijkste leverancier is keukenzout en dus ook alle spijzen waar dit aan toegevoegd is. Verder is het in kelp, olijven en zeevis te vinden.
Omhoog

Fosfor (P):

Fosfor is een mineraal dat in onze voeding en het lichaam voorkomt in de gebonden toestand als fosfaat. Het voorziet de cellen van energie in de vorm van adenosinetrifosfaat ATP. ATP is de belangrijkste vorm van chemische energie in al onze cellen. Verder is fosfor onmisbaar voor de productie van fosfolipiden, zoals onder vele andere lecithine, die voor het transport van vetten door het lichaam zorgdragen.

Het is ook onmisbaar bij tal van enzymprocessen in het lichaam. Fosfaat is een bouwsteen en geeft samen met calcium structuur aan het skelet (botten) en onze tanden en kiezen. De kans op een tekort aan fosfor (hypofosfatemie) is maar klein. De koolzuurhoudende frisdranken bijvoorbeeld, bevatten zeer veel fosforzuur wat op zich weer slecht is voor onze botten. Een tekort aan fosfor uit zich in gebrek aan eetlust, spierpijn of spierzwakte, nervositeit, lusteloosheid en vermoeidheid.

De belangrijkste natuurlijke leveranciers van fosfor zijn karnemelk, havermout, tarwekiemen, verschillende kazen, müesli, tarwemeel, knäckebröd, magere vleeswaren, kipfilet, vis, schaal- en schelpdieren.

Kalium (K):

De oude en Angelsaksische benaming van kalium is potasium. Dit mineraal werkt in samenspel met natrium bij het reguleren van de vochtbalans in het lichaam en zorgt voor het goed functioneren van spieren en zenuwen. Kalium bevindt zich hoofdzakelijk in de cellen, dit in tegenstelling tot natrium wat zich juist erbuiten (extracellulair) en in het bloed voordoet. Verder werkt het regulerend op het zuur/base evenwicht en samen met natrium op de bloeddruk.

Een tekort aan kalium kan ontstaan bij langdurig of overmatig gebruik van alcohol, corticosteroïden, koffie, laxeermiddelen of plasmiddelen die de uitscheiding ervan vergroten. Verder kan er een algehele vermoeidheid of zwakte, hoge bloeddruk, hartkloppingen en een onregelmatige pols optreden. Een te laag kalium gehalte in het bloed heet hypokaliëmie. De gevolgen hiervan zijn hartstoornissen, verschijnselen van verlamming en spierkrampen.
De voedingsmiddelen die behoorlijk veel kalium bevatten zijn tomatenpuree, patat frites, abrikozen, rozijnen, vijgen, tarwekiemen, pindakaas, de meeste groenten, aardappels, müesli, tarwemeel en kipfilet.
Omhoog

Magnesium (Mg):

Het merendeel van het magnesium in ons lichaam bevindt zich in het botweefsel en de rest, misschien zo'n 5%, in het bloed. Het speelt een belangrijke rol in de stofwisseling van vooral calcium en vitamine C maar ook bij fosfor en kalium. Verder draagt het bij aan de productie van eiwitten en de energieproductie op celniveau, is van belang bij het overdragen van zenuwprikkels, een effectieve werking van spieren (spiercontractie) en de regulering van het hartritme. De vitamines B1 en B6 kunnen niet veel zinnigs uitrichten zonder de aanwezigheid van magnesium.

Een tekort of hypomagnesiëmie komt regelmatig voor en kan een verlies aan eetlust, slapeloosheid, spierkrampen (tetanie of tetania) en trillingen, misselijkheid, overgeven en geïrriteerdheid veroorzaken. Een gebrek kan ontstaan door chronische diarree, het gebruik van veel geraffineerde suiker, overmatig zweten en alcoholgebruik. Relatief veel magnesium treffen we aan in pindakaas, havermout, müesli, tarwekiemen en tarwemeel. Verder nog in veel andere voedingsmiddelen zoals goudse kaas, doperwten, kikkererwten, sperziebonen, spinazie (ook diepvries), groene erwten, kapucijners, linzen, bramen, abrikozen, vijgen, rozijnen, garnalen, zoute haring en zalm uit blik.

Natrium (Na):

In het lichaam bevindt het meeste natrium zich in het bloed en de vloeistof tussen de cellen. De nieren houden de natriumspiegel op peil en regelen de, via de urine, uit te scheiden hoeveelheid. Verdere afvoer is mogelijk door middel van transpireren. Het is nodig voor de regulatie van de waterhuishouding, het zuur/alkali-evenwicht, de bloeddruk, geleiding van de zenuwprikkels en spiercontracties (hartspier!).

Een tekort of hyponatriëmie kan zich uiten in gevaar van uitdroging, vermoeidheid, geen eetlust, spierzwakte, zenuwpijn (neuralgie of neuralgia) of een slechte vertering van koolhydraten. De belangrijkste leveranciers van natrium zijn vrijwel alle kazen, cornflakes, het meeste brood (ook witbrood), vleeswaren, garnalen, haring, krab, oesters, panharing en gerookte zalm. Verder in onder andere tomatenpuree, witte bonen in tomatensaus en verschillende soepen.
Omhoog


De sporenelementen


De sporenelementen of spoorelementen noemt men ook wel micro-elementen. Er wordt hier micro gebruikt omdat ons lichaam betrekkelijk weinig van deze elementen nodig heeft. We praten hier dan slechts over een aantal microgrammen (µg).
De sporenelementen zijn meestal cofactoren (activators die een proces activeren) van vooral enzymen en eiwitten. Een aantal van deze elementen vindt in de lever een opslagplaats. Fluoride, jodium en seleen behoren tot de niet-metalen. De andere in deze lijst genoemde sporenelementen zijn metalen.

Chroom (Cr) of chromium:

Bij de suikerstofwisseling werkt chroom samen met nicotinezuur om de opname van insuline door de celmembranen te regelen. Het is nodig bij de regeling en controle van het cholesterolgehalte in het bloed. Bij het gebruik van veel suiker ontstaat er vaak een gebrek aan chroom omdat de uitscheiding ervan wordt verhoogd. Een tekort komt regelmatig voor en kan een te hoog cholesterolgehalte, vermoeiheid, prikkelbaarheid, verwardheid, nervositeit en afwijkende glucose- en vetstofwisseling (glucose intolerantie) veroorzaken.

Verder kan een tekort bijdragen aan het ontstaan van diabetes (suikerziekte) of hart- en vaatziekten. Dit tekort kan echter lang onopgemerkt blijven. We vinden chroom in vlees, schelp- en schaaldieren, kip, brouwersgist of biergist en plantaardige olie. In onder andere biergist en melasse is dit in de vorm van GTF (glucose-tolerantie factor) die erg belangrijk is bij de productie van koolhydraten.
Omhoog

Fluor of fluoride (F):

Het element fluor vertoont veel overeenkomst met chloor en is in de vorm van gas giftig. Het is in voedingsmiddelen altijd aan een andere stof gebonden zoals calcium of natrium. Dit vormt dan calciumfluoride of natriumfluoride. Natriumfluoride is synthetisch en wordt, niet overal, aan drinkwater toegevoegd. Het versterkt de beenderen, het gebit (glazuur en tandbeen of dentine) en werkt preventief tegen tandbederf (tand-cariës). Deze cariës is wereldwijd de meest voorkomende aandoening. Vis uit de zee en thee zijn rijk aan fluor. Verder kunnen we ook gefluorideerde tandpasta, fluortabletten of gel met fluor gebruiken. Nog een andere mogelijkheid is het homeopathische 'calcium fluoratum' in een D6-potentie.

IJzer (Fe):

Veel belangrijke chemische reacties in het hele lichaam worden beïnvloed door enzymen waarvan ijzer een bestanddeel vormt. De ijzerhoudende bloedkleurstof hemoglobine (afkorting: Hb) stelt de rode bloedcellen in staat zuurstof naar de verschillende weefsels in het lichaam te transporteren. IJzer is ook een bestanddeel van de kleurstof myoglobine der spierweefsels dat in staat is tot een sterke binding van zuurstof.

We vinden in onze voeding twee vormen van ijzer, namelijk haem-ijzer (of heem-ijzer) en non-haemijzer. Het haem-ijzer komt voornamelijk voor in producten van dierlijke oorsprong en wordt in ons lichaam het gemakkelijkst opgenomen. Circa 75% van de in ons lichaam opgeslagen hoeveelheid (een gram of vijf) ijzer bevindt zich in heam-eiwitten, voornamelijk hemoglobine en myoglobine. Het merendeel van de rest bevindt zich in de eiwitten die het transport en opslag dienen (respectievelijk transferrine en ferritine).

Ook een gebrek aan ijzer is wereldwijd het meest voorkomende voedingstekort. Cola, koffie, thee en aspirine hebben een afbrekende werking. Een tekort veroorzaakt bloedarmoede (anemie of anaemia) wat vaak voorkomt bij vrouwen tijdens de zwangerschap (de groeiende foetus vreet ijzer) en meisjes waar de menstruatie op gang komt. Verdere symptomen zijn bleekheid, afbrekende nagels, vermoeidheid, duizeligheid, zwakte met ook een teruglopende spierfunctie.

Veel ijzer komen we tegen in tuinbonen, tomatenpuree, tarwekiemen, gekookte lever, mosselen en oesters. Verder ook in pindakaas, eieren, courgette, doperwten, radijs, rammenas, tuinkers, veldsla, groene erwten, kapucijners, linzen, diepvries spinazie, abrikozen, vijgen, rozijnen, havermout, maïsmeel, müesli, tarwemeel, de meeste broodsoorten, vleeswaren en vlees.
Omhoog

Jodium of jood (J):

Jodium speelt een belangrijke rol bij de samenstelling (synthese) van een tweetal schildklierhormonen, namelijk thyroxine (tetrajodothyronine, ook wel afgekort als 'T4') en tri-jodothyronine (afgekort 'T3'). Deze beide hormonen zijn onmisbaar voor een normale lichaamsgroei, grondstofwisseling, zenuwgeleiding en de energiewisseling in de cellen. Ongeveer 75% van de jodium in het lichaam bevindt zich in de schildklier. Jodium wordt in ons land toegevoegd aan het potje zout op tafel en keukenzout. De slager gebruikt gejodeerd zout in vleeswaren en verschillende andere vleesproducten. Bij het bakkerszout is het al niet anders; onze dagelijkse sneetjes brood bevatten een klein shot jodium.

Bij een tekort kan krop (struma of goitre), een vergroting (hyperplasie) van de schildklier in het gebied van de hals optreden (opgezette schildklier). Door dit gebrek probeert de schildklier meer jodium vast te houden en wordt hierdoor domweg groter. Verder kan de ziekte van Gull (hypothyroïdie of hypothyreose) ontstaan, een onvoldoende productie van hormonen in de schildklier. Schaal- en schelpdieren, zeevis, kelp en uien bevatten behoorlijk wat jodium.

Koper (Cu):

Koper is een benodigd bestanddeel van verschillende enzymen, dit zijn biochemische katalysators. Het is werkzaam bij de opbouw van rode bloedlichaampjes (hemoglobine) en verbetert de opname (resorptie) en verwerking van ijzer. Koper is samen met tyrosine (een aminozuur) betrokken bij de vorming van het huidpigment (melanine) en is essentieel voor de opbouw van bindweefsel en botweefsel. Een teveel aan koper kunnen we binnen krijgen door roken en het voortdurend drinken van water wat via koperen leidingen de kraan bereikt. Gebrek aan koper in het bloed noemen we hypocupremie. Een tekort leidt tot bloedarmoede (anemie), problemen met de ademhaling, huidklachten, botontkalking (osteoporose), groeistoornissen, vermoeidheid, verhoogde gevoeligheid voor infecties of verlies van huid- en haarpigment.
Er zit flink wat koper in biergist, noten, oesters, orgaan-vlees, peulvruchten, vis en vijgen.
Omhoog

Mangaan (Mn):

Het sporenelement mangaan is benodigd bij belangrijke enzymsystemen werkzaam in de stofwisseling van eiwitten (proteïnen), vetten en koolhydraten. Maar ook gezond kraakbeen, botweefsel en de productie van sommige geslachtshormonen zijn van de aanwezigheid van mangaan afhankelijk. Een tekort aan dit element kan problemen met de koolhydraat- en vetstofwisseling, deformatie van kraakbeen en bot, groeistoringen, een schommelende suikerspiegel van het bloed, oorsuizen en doofheid inleiden. Zwarte thee, tarwekiemen, hazelnoten en havervlokken zijn de balangrijkste aanbieders van mangaan.

Molybdeen (Mo):

Molybdeen heeft een wisselwerking met koper en ijzer. Verder is het een activator (cofactor) van een aantal enzymen die betrokken zijn bij de purinestofwisseling. Het reguleert de zwavelhoudende aminozuren, onder andere methionine, maar ook de omzetting van sulfiet in sulfaat. Een tekort aan molybdeen zal niet vaak optreden. Bij een tekort kan een snelle of onregelmatige hartslag, kortademigheid en misselijkheid of braken optreden. We vinden molybdeen in peulvruchten, melk, noten en onbewerkte granen.

Seleen of selenium (Se):

In ons lichaam is seleen gebonden aan twee van de essentiële zwavel bevattende aminozuren, namelijk methionine en cysteïne. Als cofactor (activator) is het een krachtige en belangrijke antioxydant die ontgiftend werkt bij de in talrijke processen van de stofwisseling optredende agressieve en toxische zuurstofverbindingen. Deze giftige stoffen kan je samenvatten met de term 'vrije radicalen' of ROS (reactive oxygen species).

Verder speelt het onder andere, samen met jodium, een belangrijke rol bij de stofwisseling van de schildklierhormonen. Seleen zou ook, als antagonist, ontgiftend werken ten aanzien van een aantal zware metalen zoals cadmium, lood en kwik. Het is zeer wel de vraag of onze akkers nog een voldoende hoog gehalte aan seleen leveren. Een tekort uit zich in een vroegtijdige ouderdom, aanleg voor vormen van kanker, minder weerstand tegen infecties (immuunsysteem) en een snellere veroudering van verschillende weefsels.
Bronnen van seleen zijn de nier en lever van het varken, haring, makreel, tonijn, kippeëi en rundvlees.
Omhoog

Zink (Zn):

Zink is betrokken bij diverse processen in het lichaam; het is een bestanddeel van vele tientallen enzymen. Enzymen die zink bevatten nemen deel aan de stofwisseling van vetten (lipiden), koolhydraten, eiwitten (proteïnen) en nucleïnezuren. Nucleïnezuren zijn zeer belangrijke bouwstoffen van alles wat leeft. Door vermenigvuldiging houden deze zuren zichzelf instand en er bestaan twee typen van: DNA en RNA.
Het element zink werkt antiviraal, regulerend bij de stofwisseling van prostaglandinen of PG (essentiële vetzuren), vitamine A, de schildklier en hormonen. De verdere groei, het delen der cellen, de biosynthese (scheikundige opbouw) van proteïnen, de voortplanting en een naar behoren werkend immuunsysteem zijn zonder zink ondenkbaar.

Er bestaan talloze symptomen bij een tekort aan zink in het lichaam. De cellen in ons lichaam die zich snel delen worden als eerste gehinderd door een tekort aan zink. Dit betreft het immuunsysteem, de huid en slijmvliezen (mucosa).
Een aantal van deze symptomen zijn allergieën, bloedarmoede (anemie of anaemia), gebrek aan eetlust, chronische vermoeidheid, nachtblindheid (stofwisseling van vitamine A), smaakstoornissen (hypogeusie of hypogeusis), verminderd reukvermogen (hyposmie), het achterblijven van de geslachtelijke ontwikkeling en stoornissen in de groei. Verder kunnen er breekbare en witgevlekte nagels, dunne haren en haarverlies, ontsteking van de huid van de handen (acrodermatitis), eczeem, problemen met de slijmvliezen, depressiviteit, hyperactiviteit en een verminderde weerstand tegen zware metalen ontstaan.

We vinden zink vooral in oesters (ze hebben echter een wel zeer variabel gehalte aan zink), garnalen, havermout, tarwekiemen, kalfs- en rundvlees, cornedbeef en sommige kazen.


Kobalt (Co) vinden we in vlees en als overgangsmetaal in de cobalaminen van vitamine B12. Van een aantal andere mineralen en spoorelementen staat nog ter discussie of ze absoluut noodzakelijk zijn voor het functioneren van het lichaam. Dit zijn arseen, borium (boor), germanium, lithium, nikkel, rubidium, silicium, tin, vanadium en zwavel.
Verder is het helaas zo dat er naast de noodzakelijke sporenelementen ook giftige in onze voeding voorkomen. Deze giftige elementen zoals cadmium, lood en kwik worden op dezelfde manier opgenomen als de 'goede' ...
Omhoog