Voorvoegsels van medische termen

Een voorvoegsel is een deel van een woord dat op zich geen woord is. Wanneer het voor een woord wordt gevoegd ontstaat daarmee een ander woord. Een voorvoegsel noemt men ook wel prefix.
Talloze medische termen uit de geneeskunde zijn samengesteld uit een woord, vooraf gegaan door een voorvoegsel of afgesloten met een achtervoegsel. Een aantal termen bestaan slechts uit een voorvoegsel en een achtervoegsel, even een voorbeeld: quadriplegie (quadri+plegie).

In de tabel op deze pagina vindt u 203 (304) van deze voorvoegingen. In de eerste kolom staan de voorvoegsels, de tweede kolom toont een verklaring met één of meerdere voorbeelden. Het voorgevoegde deel van het samengestelde woord is hier voor de duidelijkheid vet opgemaakt.
ABCDEFGH I JKLMNOPQRSTUV • W • X • Y • Z
Voorvoegsel: Verklaring en voorbeeld:
a- Zonder, geen, on- of niet. Voorbeeld: achromatisch, zonder kleurfouten of niet kleurbaar zijn. Dit in tegenstelling tot chromatisch of gekleurd.
ab- Weg van, van ... af. Voorbeeld: abduceren, een beweging vanaf de middellijn.
abdomino- Gerelateerd aan de abdomen, ofwel de buik. Voorbeeld: abdominoplastiek of buikwandplastiek. Deze plastiek of vormkunst dient ter versteviging van een defect dan wel een uitgerekte en/of zwakke plek in de buikwand. De aanleiding hiertoe kan een breuk of de zwangerschap zijn.
adeno- Met betrekking tot een klier of klieren. Voorbeeld: adenopathie, een aandoening van klieren of lymfeklieren.
aëro- of aero- Lucht. Voorbeeld: aërometer, een toestel wat de dichtheid en het gewicht van lucht kan bepalen.
allo- Afwijkend, anders of vreemd. Voorbeeld: allokinetisch, de onwillekeurige beweging van een arm of been terwijl de andere arm of been juist willekeurig bewogen wordt.
ambi- Beide of aan dan wel naar beide zijden. Voorbeeld: ambivalentie, dubbelwaardigheid of het gelijktijdig optreden van gevoelens die tegengesteld zijn.
amfi- of amphi- Dubbel of aan beide zijden.
Voorbeeld 1: amfibiose, de eigenschap van een micro-organisme om zich als een parasiet en als een symbiont te kunnen gedragen.
Voorbeeld 2: Amphitricha, micro-organismen met aan beide einden een flagel of zweepdraad.
an- Zonder, geen of afwezigheid van. Voorbeeld: anaëroben, dit zijn aëroben of bacteriën zie zonder zuurstof kunnen leven.
andro- Met betrekking tot de man of mannelijk. Voorbeeld: andrologie, de wetenschap van de mannelijke geslachtsorganen en de ziekten daarvan.
angio- Duidt een vat, meestal een bloedvat, aan. Voorbeeld: angiogenese, de groei en vorming van nieuwe bloedvaten.
aniso- Ongelijk of ongelijkheid. Voorbeeld: anisomastie, ongelijke grootte van de borsten.
ant- of anti- Met tegen als betekenis.
Voorbeeld 1: antafrodisiacum, een middel om de geslachtsdrift te remmen. Dit in tegenstelling tot een afrodisiacum, wat opwekkend werkt.
Voorbeeld 2: antibacterieel, tegen bacteriën gericht.
ante- Vóór of naar voren. Voorbeeld: antenataal, vóór de geboorte.
apo- Afkomstig van, vanaf, vandaan, weg van, scheiding of afscheiding. Voorbeeld: apoptose, het normale uiteenvallen en opruimen van cellen door verjonging van weefsel.
arterio- Met betrekking tot een ader of slagader. Voorbeeld: arteriosclerose, een verharding van het weefsel waaruit de wand der slagaders bestaat (men noemt het meestal slagaderverkalking).
artr-,
arthr-,
artro- of
arthro-
Met betrekking tot een gewricht.
Voorbeeld 1: artritis of arthritis, ontsteking van een gewricht (gewrichtsontsteking).
Voorbeeld 2: artropathie, een algemeen gebruikelijke term voor ziekte aan een gewricht (gewrichtsziekte).
Voorbeeld 3: arthrogryposis, een blijvende verkromming van een gewricht.
athero- Aandoeningen waarbij vet een rol speelt. Voorbeeld: atherosclerose, een zeer veel voorkomende ziekte waarbij diverse vetachtige substanties zich ophopen aan de binnenwand van een slagader.
audi- of audio- Met betrekking tot het gehoor.
Voorbeeld 1: audicien, een leverancier van gehoorapparaten of hoortoestellen.
Voorbeeld 2: audiologie, de wetenschap van het gehoor en de afwijkingen die daar aan kunnen optreden.
auto- Op zichzelf gericht of tot het eigen lichaam behorend. Voorbeeld: autolyse, zelfoplossing of zelfvertering door de eigen enzymen in het lichaam.
bi- Dubbel, tweemaal of tweevoudig. Voorbeeld: bifocaal, een bril waarin glazen gemonteerd zijn die elk twee verschillende brandpuntsafstanden hebben.
bio- Met betrekking tot het leven. Voorbeeld: biofysica, de wetenschap die natuurkundige invloeden op biologische processen analyseert en bestudeert.
brachy- Kort. Voorbeeld: brachypnoe, ofwel kortademigheid.
brady- Langzaam. Voorbeeld: bradykinesie, het traag uitvoeren van lichamelijke bewegingen.
carcino- Kanker betreffend. Voorbeeld: carcinogenese, het proces dat leidt tot het ontstaan van kanker.
cardio- Met betrekking tot het hart. Voorbeeld: cardiovasculair, in verband staand met het hart en de vaten of bloedvaten.
cefal- of cefalo- Het hoofd betreffend.
Voorbeeld 1: cefalalgie, pijn in het hoofd.
Voorbeeld 2: cefalometrie, meting van de schedel (schedelmeting) of delen ervan.
cerebro- Met betrekking tot de hersenen.
Voorbeeld: cerebrovasculair, de bloedvaten in de hersenen betreffend.
cervic- of cervico- De hals of een hals betreffend.
Voorbeeld 1: cervicitis, ontsteking van de baarmoederhals (cervix uteri).
Voorbeeld 2: cervicogeen, uit de hals of nek voortkomend.
chol- of chole- Betrekking hebbend op gal of de galblaas.
Voorbeeld 1: cholemie, in het bloed aanwezig zijn van een veel te grote hoeveelheid galbestanddelen.
Voorbeeld 2: cholecystotomie, een operatie aan de galblaas.
chondr- of chondro- Met betrekking tot kraakbeen.
Voorbeeld 1: chondroom, een kraakbeengezwel.
Voorbeeld 2: chondropathie, ziekte van kraakbeen.
chrom-,
chroma-,
chromato- of
chromo-
Kleur, kleuren, kleurbaar of kleurstof betreffend.
Voorbeeld 1: chromhidrose, het uitscheiden (secretie) van gekleurd zweet.
Voorbeeld 2: chromatine, een gemakkelijk kleurbare fijnkorrelige structuur in de celkern.
Voorbeeld 3: chromatometer, een instrument voor onderzoek van de kleurenzin en het bepalen van kleurenblindheid.
Voorbeeld 4: chromosomen, de draadvormige structuren in de celkern die de genen bevatten.
contra- Tegen of anti.
Voorbeeld: contrapunctie, het maken van een tegenopening d.m.v. een punctie.
crani- of cranio- De schedel betreffend.
Voorbeeld 1: cranialgie, pijn in de schedel (schedelpijn).
Voorbeeld 2: craniotomie, een operatie waarbij de schedel wordt geopend.
cry- of cryo- Betreffende koude.
Voorbeeld 1: cryesthesie, overgevoeligheid voor koude.
Voorbeeld 2: cryotherapie, fysiotherapie met toepassing van koude.
crypt- of crypto- Het verborgen zijn.
Voorbeeld 1: cryptorchisme, cryptorchidisme of cryptorchidie, niet in de balzak ingedaalde zaadbal of zaadballen.
Voorbeeld 2: cryptogenetisch, van onbekende verborgen oorsprong of wijze van ontstaan.
cyano- Blauw of blauwkleurig. Voorbeeld: cyanopathie, een bij kinderen die zijn geboren met een hartgebrek voorkomende vorm van blauwzucht. Zij zien er blauw uit.
cyst- of cysto- Een blaas of holte betreffend.
Voorbeeld 1: cystadenoom, een goedaardig klierweefselgezwel (adenoom) waarbij cysten gevormd worden.
Voorbeeld 2: cystometrie, een onderzoek van de blaasfunctie en capaciteit van de blaas.
cyto- De cellen in het lichaam betreffend. Voorbeeld: cytologie, de wetenschap betreffende de cellen ofwel celleer.
dactylo- Betreffende de tenen of vingers. Voorbeeld: dactyloscopie, het onderzoek van de vingerafdrukken ter herkenning of identificatie van een persoon.
dent-,
denta- of
dento-
De tand of kies betreffend.
Voorbeeld 1: dentaal, met betrekking tot kiezen en tanden.
Voorbeeld 2: dentageen, van één of meer elementen van het gebit uitgaand.
Voorbeeld 3: dentofaciaal, met betrekking tot het gebit en het gelaat.
dermato- of dermo- Met betrekking tot de huid.
Voorbeeld 1: dermatoloog, huidarts of specialist in de dermatologie.
Voorbeeld 2: dermosynoviïtis, een ernstige necrotiserende ontsteking van de huid.
di- Dubbel, twee of tweevoudig. Voorbeeld: diaminen, twee aminogroepen bevattende aminen.
dia- Afzonderlijk, door, tussen of volkomen. Voorbeeld: diaplacentair, van moeder naar kind of omgekeerd via de placenta.
dipl- of diplo- Dubbel.
Voorbeeld 1: diplacusis, dubbel horen (acusis = het gehoor).
Voorbeeld 2: Diplococcus, paarsgewijs voorkomende kokken.
dis- Voor dis- bestaan veel verklaringen waaronder abnormaal, mis, moeilijk, niet en verkeerd. Voorbeeld: distorsie, een verstuiking of verzwikking.
dys- Ook voor dys- bestaan veel verklaringen waaronder moeilijk, pijnvol, slecht, mis, on, wan en verkeerd. Voorbeeld: dyshormonaal, betrekking hebbend op een hormonale stoornis.
ecto- Uit, uitwendig of aan de buitenkant gelegen. Voorbeeld: ectoscopie, ofwel uitwendig onderzoek.
encefal- of encefalo- De hersenen betreffend.
Voorbeeld 1: encefalalgie, hoofdpijn.
Voorbeeld 2: encefalomeningitis, ontsteking van hersenen en hersenvliezen.
encephal- of encephalo- De hersenen betreffend.
Voorbeeld 1: encephalasthenie, zenuwzwakte.
Voorbeeld 2: encephalopathia, degeneratieve hersenaandoening of hersenziekte (encefalopathie).
end- of endo- In, binnen of inwendig.
Voorbeeld 1: endauraal, binnenin het gehoororgaan.
Voorbeeld 2: endoscopie, het inwendig onderzoeken van de lichaamsholten of een kanaal. Het instrument wat hier voor gebruikt wordt heet een endoscoop.
ent- of ento- Binnen of in.
Voorbeeld 1: Entamoeba, een geslacht van verschillende parasieten. Een aantal vertegenwoordigers van deze parasieten vinden we ook in de dikke darm.
Voorbeeld 2: entonox, een gasmengsel dat lichte pijnstilling of verdoving geeft.
enter- of entero- De darm betreffend.
Voorbeeld 1: enteritis, ontsteking van de dunne darm.
Voorbeeld 2: enteroscopie, inwendig onderzoek van de darm.
epi- Op, over, oppervlakkig of boven. Voorbeeld: epidermis ofwel de opperhuid.
erythro- of erytro- Rood.
Voorbeeld 1: erythroblastoma, woekering van weefsel wat erytrocyten ofwel rode bloedcellen vormt.
Voorbeeld 2: erytroblast, onrijpe kernhoudende cel waaruit een erytrocyt ontstaat.
eu- Goed, wel of normaal. Voorbeeld: eupepsie, een normaal werkende spijsvertering.
ex- Uit, ontdaan van of weg van.
Voorbeeld 1: exantheem, ofwel huiduitslag.
Voorbeeld 2: excisie, een uitsnijding.
extra- Uit, buiten of bovendien.
Voorbeeld 1: extracellulair, buiten de cel gelegen.
Voorbeeld 2: extrasensorisch, bovenzintuiglijk ofwel niet waar te nemen met de gewone zintuigen.
fago- Eten, opnemen, vernietigen of verslinden. Voorbeeld: fagocyt, een cel die deeltjes zoals bacteriën in zich op kan nemen en verteren (vreetcel).
farmaco- Met betrekking tot geneesmiddelen. Voorbeeld: farmacologie, de leer of kennis van geneesmiddelen.
faryng- of pharyng- De keel of keelholte betreffend.
Voorbeeld 1: faryngitis, ontsteking van de keelholte (farynx) ofwel keelontsteking.
Voorbeeld 2: pharyngitis, betekenis is idem als voorbeeld 1.
fleb-,
flebo- of
phlebo-
Met betrekking tot een ader of aderen. Zie ook ven- lager op deze pagina.
Voorbeeld 1: flebitis, aderontsteking.
Voorbeeld 2: flebologie: de kennis en specialisatie waarbij men zich bezighoudt met de anatomie, fysiologie en ziekten van de aderen.
Voorbeeld 3: phlebostasis, een ophoping van bloed in een ader of aderen.
fot- of foto- Betreffende licht of bestraling door zon.
Voorbeeld 1: fotoptometer, een instrument voor de bepaling van de refractie van het oog.
Voorbeeld 2: fotosynthese, een fotochemische reactie waarbij - onder invloed van licht - stoffen worden gevormd.
gastr- of gastro- De maag of buik betreffend.
Voorbeeld 1: gastritis, ofwel maagontsteking.
Voorbeeld 2: gastroscopie, het met behulp van een gastroscoop onderzoeken van de binnenkant van de maag.
gloss- of glosso- Met betrekking tot de tong, de glossa of lingua.
Voorbeeld 1: glossalgie, pijn in de tong (glossagra).
Voorbeeld 2: glossoplegie, verlamming van de tong.
gluco- Betreffende glucose (dextrose of druivensuiker), zoetheid of zoetigheid.
Voorbeeld: glucopenie, een tekort aan glucose in het bloed en / of de weefsels.
glyco- Suiker, zoetheid of zoetigheid betreffend. Voorbeeld: glycolyse, afbraak van glucose.
granula- of granulo- Gekorreld of korrelig.
Voorbeeld 1: granuladeficiëntie, een stoornis in de functie van de fagocyten.
Voorbeeld 2: granulomatose, de vorming van multipele granulomen.
grav- Zwaar. Voorbeeld: graviditeit of graviditas, ofwel de zwangerschap.
gyn- of gynaeco- Betreffende de vrouw.
Voorbeeld 1: gynandroblastoom, een ovariumgezwel.
Voorbeeld 2: gynaecoloog, een vrouwenarts.
haem-,
haema- of
haemato-
Het bloed betreffend.
Voorbeeld 1: haemarthros, gewrichtsbloeding.
Voorbeeld 2: Haemaphysalis, een geslacht van teken.
Voorbeeld 3: haematocystis, een cyste die met bloed gevuld is.
helio- Met betrekking tot de zon of zonnestraling. Voorbeeld: heliotherapie, zonlicht als geneeskundige behandeling.
hem-,
hema-,
hemato- of
hemo-
Het bloed betreffend.
Voorbeeld 1: hemagglutinatie, samenklontering van erytrocyten.
Voorbeeld 2: hematine, een verbinding van heem met zoutzuur (HCl).
Voorbeeld 3: hematoscopie, bloedonderzoek met een optisch instrument zoals een microscoop.
Voorbeeld 4: hemoglobine, de ijzerhoudende en zuurstof transporterende kleurstof in de rode bloedcellen (erytrocyten).
hemi- Half, eenzijdig of enkelzijdig. Voorbeeld: hemialgie, pijn in één helft van het lichaam.
hepat- of hepato- Met betrekking tot de lever.
Voorbeeld 1: hepatitis, een ontsteking van de lever (leverparenchym).
Voorbeeld 2: hepatomegalie, leververgroting.
hetero- Anders, ongelijksoortig of verschillend. Voorbeeld: heterosoom, een geslachtschromosoom.
hidr- of hidro- Zweet of zweetklieren betreffend.
Voorbeeld 1: hidradenitis, ontsteking van één of meer zweetklieren.
Voorbeeld 2: hidrocystoom, in het gelaat voorkomende zweetblaasjes.
hist-,
histio- of
histo-
Bindweefsel of weefsels betreffend.
Voorbeeld 1: histamine, een in nagenoeg alle dierlijke en plantaardige weefsels voorkomend amine.
Voorbeeld 2: histiogeen, van weefsels uitgaande of van lichaamsweefsel afkomstig.
Voorbeeld 3: histogenese, de vorming of het ontstaan van weefsel.
holo- Geheel of volledig. Voorbeeld: holosystolisch, gedurende de gehele systole ofwel samentrekking der hartkamers.
homeo- Gelijk, gelijksoortig of constant.
Voorbeeld 1: homeoplasma, bloedplasma van dezelfde soort of species.
Voorbeeld 2: homeopathie, volgt de weg van de gelijksoortigheid.
homo- Gelijksoortig. Voorbeeld: homogeen, van dezelfde herkomst of gevormd uit onderling gelijke bestanddelen.
hydr- of hydro- Betreffende water of vocht.
Voorbeeld 1: hydrarthron, ophoping van vocht in een gewricht.
Voorbeeld 2: hydrocortison, een hormoon van de bijnierschors.
hygro- Vocht. Voorbeeld: hygrometer, instrument waarmee de luchtvochtigheid gemeten kan worden.
hyper- Overmatig, vermeerderd, boven, hoog of te hoog. Voorbeeld: hyperglykemie, een verhoogd gehalte aan glucose in het bloed.
hypno- Met betrekking tot de slaap of het slapen. Voorbeeld: hypnogeen, verwekker van slaap of hypnose.
hypo- Onder, te laag, te weinig, tekort of verminderd. Voorbeeld: hypoglykemie, een te laag glucosegehalte in het bloed.
hyster- of hystero- De baarmoeder of uterus betreffend.
Voorbeeld 1: hysteralgie, pijn in de baarmoeder.
Voorbeeld 2: hysterogram, een opname van de baarmoederholte d.m.v. röntgencontrast.
idio- Kenmerkend, het eigen zelf of gescheiden. Voorbeeld: idiopathisch, wezenlijk en zelfstandig zonder een aanwijsbare oorzaak te hebben.
infra- Beneden of onder. Voorbeeld: infraorbitalis, onder de oogkas of orbita gelegen.
inter- Tussen of te midden. Voorbeeld: intercellulair, tussen de cellen gelegen.
intra- Binnen of in. Voorbeeld: intracellulair, binnen in een cel.
iso- Gelijk, gelijksoortig zijn of behorend tot. Voorbeeld: isodynamisch, een gelijke voedingswaarde of kracht dan wel energie bezittend.
juxta- Nabij, naast of in de buurt van. Voorbeeld: juxtapylorisch, naast de maagportier ofwel pylorus gelegen.
karyo- Met betrekking tot een kern. Voorbeeld: karyokinese, het delen van de celkern.
kata- Omlaag of neer. Voorbeeld: katabool, weefselafbrekend in tegenstelling tot anabool wat opbouwend werkt.
lact- of lacto- Met betrekking tot melk.
Voorbeeld 1: lactacidase, een eiwit of enzym van melkzuurbacteriën dat zorgt voor de gisting van melkzuur.
Voorbeeld 2: Lactobacillus, een niet ziekte verwekkend geslacht van bacteriën.
laparo- De buik betreffend of via de buikholte. Voorbeeld: laparotomie, een buikoperatie, buiksnede of opening van de buik.
latero- Diverse betekenissen: opzij, terzijde gelegen, zijde, zijdelings of zijwaarts.
Voorbeeld: lateroflexie of lateroflexio, een buiging in zijwaartse richting.
lepto- Dun, zacht of teer. Voorbeeld: leptomeningitis, ontsteking van het zachte hersenvlies ofwel de leptomeninx.
leuc-,
leuco-,
leuk- of
leuko-
Wit van kleur.
Voorbeeld 1: leucaemia, de woekering van cellen in het bloed.
Voorbeeld 2: leucoderma of leukodermie, ontkleuring van de huid (witte huid) door het ontbreken van pigment.
Voorbeeld 3: leukaferese, het afnemen (aferese) van witte bloedcellen.
Voorbeeld 4: leukocyt ofwel witte bloedcel.
lingua- of linguo- Met betrekking tot de tong of glossa.
Voorbeeld 1: lingua nigra, een zwart gekleurde tong.
Voorbeeld 2: linguofacialis, met betrekking tot de tong en het gelaat of aangezicht.
lip- of lipo- Betrekking hebbend op vet.
Voorbeeld 1: lipase, een vetsplitsend (lipolytisch) eiwit (enzym).
Voorbeeld 2: lipectomie, een chirurgische verwijdering van overtollig vet.
Voorbeeld 3: lipogeen: afkomstig van vet, met vet in verband staand, vetvormend of vetzucht betreffend.
lyso- Een oplossende werking vertonend. Voorbeeld: lysozym, een enzym met oplossende of lyserende werking op bacteriën.
macro- Groot. Voorbeeld: macrobronchitis, ontsteking van de grote bronchi of luchtpijpvertakkingen.
mal- Gebrekkig, kwaad, kwaal, abnormaal, slecht of ziekte. Voorbeeld: malabsorptie, het onvoldoende absorberen of opslorpen.
mamma- of mammo- Met betrekking tot de borst of vrouwenborst.
Voorbeeld 1: mammaplastiek, een plastisch chirurgische ingreep waarbij een operatieve vergroting of verkleining van de borst (borstklier) plaatsvindt.
Voorbeeld 2: mammografie, het radiologisch onderzoeken van de borsten (mammae).
mast- of masto- De vrouwelijke borst betreffend.
Voorbeeld 1: mastitis, ontsteking van de borstklier die het meest voorkomt bij zogende vrouwen na de zwangerschap.
Voorbeeld 2: mastopathie, aandoening van de borstklier met cystevorming in het borstklierweefsel gepaard gaand met de vorming van littekens en verhardingen.
medio- Midden. Voorbeeld: medicarpeus, tussen de dubbele rij handwortelbeentjes gelegen.
mega- of megalo- Met als betekenis: groot.
Voorbeeld 1: megacolon, een vergroot colon ofwel karteldarm.
Voorbeeld 2: megalomanie, grootheidswaan (een waanstoornis).
melan- of melano- Betekent in samenstellingen donker of zwart.
Voorbeeld 1: melancholie (melancholiek of melancholisch), zwaarmoedig(heid) of zwartgalligheid.
Voorbeeld 2: melanoderm (melanoderma of melanose), overmatig sterke pigmentatie of pigmentvorming van de huid.
mening- of meningo- Met betrekking tot membranen of vliezen (meninx).
Voorbeeld 1: meningitis, ontsteking van de hersenvliezen (meningen) en / of het ruggenmergsvlies.
Voorbeeld 2: meningomyelitis, ontsteking van het ruggenmerg en de vliezen van het ruggenmerg (ruggenmergsvliezen).
meso- Midden of middelste. Voorbeeld: mesogastrium, dat gedeelte van de buik wat gelegen is tussen epigastrium en hypogastrium ofwel het midden van de bovenbuik.
meta- Achter, na, tussen, overgang of duidend op verandering. Voorbeeld: metafase, de tweede fase - uit vier - van de celdeling of mitose.
micro- Klein. Voorbeeld: Micrococcus, een geslacht van kleine kogelbacteriën die bolvormig zijn.
mono- Eén, alleen, enig of enkel. Voorbeeld: monoaminen, uit één aminogroep bestaande aminen.
multi- Veel of veelvoudig. Voorbeeld: multinucleair, ofwel veelkernig.
my- of myo- Met betrekking tot een spier of met spieren in verband staand.
Voorbeeld 1: myalgie of myalgia, spierpijn.
Voorbeeld 2: myocardium, een samenvoeging van spier en hart ofwel de hartspier.
myco- Schimmel. Voorbeeld: mycologie, de kennis of leer (wetenschap) der schimmels en zwammen (schimmelkunde).
myel- of myelo- Met betrekking tot merg, beenmerg of ruggenmerg.
Voorbeeld 1: myelencephalon, het verlengde ruggenmerg of nahersenen.
Voorbeeld 2: myelopathie, ziekte van het ruggenmerg of ruggenmergsziekte.
nas- of naso- De neus betreffend.
Voorbeeld 1: nasendoscopie, endoscopisch onderzoek van de neusholte.
Voorbeeld 2: nasofarynx, de neus-keelholte.
necro- De dood, degeneratie of het afsterven betreffend. Voorbeeld: necrospermie, sperma dat dode spermatozoa ofwel zaadcellen bevat. Het is een mogelijke oorzaak van het uitblijven van een zwangerschap of subfertiliteit.
nefr-,
nefro-,
nephr- of
nephro-
Met betrekking tot de nier.
Voorbeeld 1: nefrectomie, het langs operatieve weg verwijderen - ectomie is uitsnijding - van een nier.
Voorbeeld 2: nefrografie, röntgenonderzoek van de nier.
Voorbeeld 3: nephremphraxis, verstopping van een nier.
Voorbeeld 4: nephrolithiasis ofwel niersteenziekte.
neo- Nieuw of hernieuwd. Voorbeeld: neonataal, met betrekking tot de eerste weken na de geboorte.
nephr- of nephro- Zie nefr- hoger op deze pagina.
neur- of neuro- Waar zenuwen bij betrokken zijn.
Voorbeeld 1: neuralgie, vaak bij aanvallen optredende zenuwpijn.
Voorbeeld 2: neurohormonen, door zenuwweefsel afgescheiden hormonen.
noso- Met betrekking tot ziekte ofwel nosos. Voorbeeld: nosofobie, de vrees voor verschillende mogelijke ziekten.
nucleo- Kern. Voorbeeld: nucleoproteïne is een essentieel bestanddeel van de celkern. Dit samengestelde eiwit is een verbinding van nucleïnezuur met eiwit.
nutri- Met betrekking tot het voeden, de voeding of voedingsstoffen. Voorbeeld: nutrigenomics: het bestuderen van en technologie naar de relatie tussen voedingsmiddelen (nutriënten), producten en de genen in een celkern (genoom).
oculo- Op het oog betrekking hebbend. Voorbeeld: oculocutaan, met betrekking tot het oog (oculus) en de huid (cutis).
oftalm- of oftalmo- Met betrekking tot het oog, zie ook ophthalm- lager op deze pagina.
Voorbeeld 1: oftalmalgie, pijn in het oog. Wordt ook oftalmodynie genoemd.
Voorbeeld 2: oftalmomalacie, het verschrompelen of verweken (malacie) van de oogbol.
oligo- Gering of weinig. Voorbeeld: oligoelementen noemt men ook spoor- of sporenelementen.
onco- Een gezwel of tumor betreffend. Voorbeeld: oncogeen: gezwel of gezwellen veroorzakend, gezwelvormend of kanker verwekkend.
oöfor-,
oöforo-,
oophor- of
oophoro-
De eierstokken betreffend.
Voorbeeld 1: oöforitis, ontsteking van de eierstok ofwel het ovarium. Wordt ook ovaritis of oophoritis genoemd
Voorbeeld 2: oöforosalpingectomie, het langs operatieve weg verwijderen van een eierstok (oophoron) met de daarbij horende eileider (salpinx).
Voorbeeld 3: oophorectomia, het verwijderen van één of beide eierstokken (oophoron) door middel van een operatie. Wordt ook oöforectomie genoemd.
Voorbeeld 4: oophorosalpingitis, ontsteking van een eierstok en de eileider (salpinx of baarmoedertrompet) die daar bij hoort.
ophthalm- of ophthalmo- Met betrekking tot het oog, zie ook oftalm- hoger op deze pagina.
Voorbeeld 1: ophthalmicum, een geneesmiddel om het oog te behandelen.
Voorbeeld 2: ophthalmogenetica, de kennis van oogziekten die erfelijk zijn.
orch-,
orchid- of
orchido-
De teelbal, zaadbal, testikel of testis (orchis) betreffend.
Voorbeeld 1: orchitis, ontsteking van een teelbal of testis.
Voorbeeld 2: orchidectomie, het chirurgisch verwijderen van een testis ofwel hemicastratie. De operatieve verwijdering van beide testis wordt naast orchidectomie ook castratie genoemd.
Voorbeeld 3: orchidodynie, betreft een chronische zeurende pijn (-dynie) in een testikel.
ortho- Heeft de betekenis van recht of normaal. Voorbeeld: orthomoleculair. Moleculair betekent op de moleculen, in het menselijk lichaam, betrekking hebbend.
osseo- Het been of bot betreffend. Voorbeeld: osseomucine, de slijmachtige stof in het beenweefsel.
osteo- Been of bot. Voorbeeld: osteoartritis, een gewrichtsontsteking of artritis die ook in het bot kan optreden.
ot- of oto- Met betrekking tot het oor of gehoororgaan.
Voorbeeld 1: otitis, ontsteking van het gehoororgaan.
Voorbeeld 2: otoplastiek, plastische operatie aan het oor.
pachy- Dik of verdikking. Voorbeeld: pachypleuritis, verdikking van het borstvlies of pleura als gevolg van een chronische ontsteking.
par- of para- Anders, bovendien, erbij, naast of verkeerd.
Voorbeeld 1: paralbumine, een eiwit dat zich in ovariumcysten bevindt.
Voorbeeld 2: parahepatisch, naast de lever.
Voorbeeld 3: paraglobuline, een ongewone vorm van globuline in het bloedplasma.
patho- Ziek, ziekte of aandoening betreffend. Voorbeeld: pathofysiologie, de kennis en bestudering van de lichamelijke functies van het zieke orgaan of een organisme.
ped- of pedo- Het kind of kinderen betreffend.
Voorbeeld 1: pedatrofie, lichamelijk verval of atrofie bij kleine kinderen of zuigelingen.
Voorbeeld 2: pedologie, de wetenschap van de lichamelijke en psychische ontwikkeling van het kind met tevens de opvoeding ervan.
peptid- of peptido- Voor het verteren of de spijsvertering.
Voorbeeld 1: peptidase, een in de dunne darm werkzaam enzym.
Voorbeeld 2: peptidoglycaan, een verbinding van stoffen die zorgt voor de stevigheid van de celwand van bacteriën.
per- Door of er doorheen. Voorbeeld: percutaan, via de huid of cutis dan wel door de huid heen.
peri- Om of rondom. Voorbeeld: periadenitis, ontsteking van weefsel dat zich rondom een klier bevindt.
pharyng- Zie faryng- hoger op deze pagina.
phlebo- Zie fleb- hoger op deze pagina.
pluri- Veel of veelvoudig. Voorbeeld: pluriglandulair, met betrekking tot meerdere klieren of glandulae in het lichaam. Wordt ook polyglandulair genoemd.
pneum-,
pneuma- of
pneumo-
Op de adem, long of lucht betrekking hebbend.
Voorbeeld 1: pneumartrose, lucht of gas wat zich in een gewricht bevindt.
Voorbeeld 2: pneumatose, een zich op een abnormale plaats in het lichaam ophopende hoeveelheid gassen of lucht.
Voorbeeld 3: pneumocyste, een met lucht gevulde blaas of cyste.
pod- of podo- Met betrekking tot de voet.
Voorbeeld 1: podagra, klemming of pijn in de voet dan wel jicht van voetgewrichten en teengewrichten.
Voorbeeld 2: podologie, de kennis van gebreken aan en problemen met de voet en het behandelen daarvan.
polio- De kleur grijs of er grijsachtig uitzien. Voorbeeld: poliomyelitis, ontsteking van de grijze stof van het ruggenmerg.
poly- In de betekenis van veel, meer dan, verhoogd, dubbel of op meerdere plaatsen.
Voorbeeld 1: polychondritis, ontsteking van meerdere kraakbeenderen in het lichaam.
Voorbeeld 2: polymorf ofwel veelvormig.
Voorbeeld 3: polypathie, het gelijktijdig lijden aan meer dan één ziekte of aandoening.
post- Na of achter. Voorbeeld: postnataal, in verband met of volgend op de geboorte.
pre- of prae- Vóór of voorafgaand aan.
Voorbeeld 1: premenstrueel, aan een menstruatie voorafgaand.
Voorbeeld 2: praematurus, onrijp of voortijdig (prematuur).
presby- Met betrekking tot oud of oudere. Voorbeeld: presbyacusis, hardhorendheid die bij het stijgen van de leeftijd bij bejaarden en ouderen kan optreden.
pro- Van te voren of voor. Voorbeeld: provitamine, een nog niet werkzame stof in het organisme die chemisch gezien een voorstadium is van een vitamine.
proct- of procto- Met betrekking tot de anus of de endeldarm (rectum of proctos).
Voorbeeld 1: proctitis ofwel endeldarmontsteking (rectitis).
Voorbeeld 2: proctogeen, voortgebracht door de anus of het rectum.
proto- Eerste of vroegste. Voorbeeld: protoplasma, de eerst gevormde substantie waaruit een cel is opgebouwd.
pseudo- In de betekenis van onecht, schijnbaar of vals. Voorbeeld: pseudoplasma, dwd.
psych- of psycho- Met betrekking tot de geest of psyche. Psyche staat ook voor de adem, geest, ziel en het leven.
Voorbeeld 1: psychalgie, soort pijn die niet veroorzaakt wordt door een zenuw maar op psychische oorsprong berust.
Voorbeeld 2: psychoanalepticum. Psychoanaleptica zijn geneesmiddelen die een stimulerende werking (analepticum) op bepaalde psychische functies hebben. Dit zijn dan middelen zoals amfetaminen (wekaminen), antidepressiva en psychotonica.
pulmo- De long (pulmo) of longen (pulmones) betreffend. Voorbeeld: pulmonitis, longontsteking.
pyel- of pyelo- Het nierbekken of pyelum betreffend.
Voorbeeld 1: pyelectasie, verwijden van het nierbekken.
Voorbeeld 2: pyelografie, het maken van een röntgenfoto van het nierbekken ofwel een pyelogram.
pyr- of pyro- Met betrekking tot koorts of vuur.
Voorbeeld 1: pyretiologie, de kennis of leer van koorts.
Voorbeeld 2: pyrotoxine, een vergif wat een koortsverwekkende werking heeft. Het gif kan gevormd worden door een bacterie.
quadri- Vier of viervoudig. Voorbeeld: quadriplegie, verlamming van alle vier ledematen. Dit woord bestaat eigenlijk alleen uit een voorvoegsel en een achtervoegsel.
rachi- of rachio- De ruggengraat of wervelkolom betreffend.
Voorbeeld 1: rachialgie, pijn in de ruggengraat of wervelkolom.
Voorbeeld 2: rachiotomie, een chirurgisch blootleggen van het ruggenmerg wordt ook laminectomie genoemd.
re- Opnieuw, terug of weer. Voorbeeld: reactiveren, het opnieuw actief maken of activeren.
ren- of reno- Met betrekking tot de nier (ren) of nieren (renes).
Voorbeeld 1: renaal, de nier betreffend of daartoe behorend.
Voorbeeld 2: renovasculair, met betrekking tot de nieren en bloedvaten (niervaten).
retro- Achter, achterwaarts of terug. Voorbeeld: retroperitoneaal, achter het buikvlies of peritoneum gelegen.
rin-,
rino- of
rhino-
Met betrekking tot de neus.
Voorbeeld 1: rinitis, ontsteking van het neusslijmvlies.
Voorbeeld 2: rinoscopie, onderzoek van de neus met een rinoscoop.
Voorbeeld 3: rhinovirus, een virus dat in de bovenste luchtwegen verkoudheidsziekten veroorzaakt.
scler- of sclero- Hard of verharding.
Voorbeeld 1: scleradenitis, het ontsteken (adenitis) en verharden van een klier.
Voorbeeld 2: scleroproteïne, een eiwit (proteïne) van de steunweefsels.
semi- Half. Voorbeeld: semicircularis ofwel half cirkelvormig.
somato- Het lichaam betreffend. Voorbeeld: somatologie, de wetenschap of kennis van het lichaam en de lichamelijke verrichtingen.
spondyl- of spondylo- Met betrekking tot een wervel of de wervelkolom.
Voorbeeld 1: spondylartritis, ontsteking van wervelgewrichten.
Voorbeeld 2: spondylodynie, pijn in een wervel of de wervelkolom.
steat- Vet betreffend. Voorbeeld: steatose, onder meer een afzetting van vet of vervetting van weefsels (vetstapeling).
sten- of steno- Nauw, vernauwing of samengedrukt.
Voorbeeld 1: stenose, de vernauwing van een kanaal of opening in het lichaam.
Voorbeeld 2: stenothorax, nauwheid van de borstkas (thorax).
stetho- De borstkas betreffend. Voorbeeld: stethografie, met behulp van een stethograaf kan men de bewegingen van verschillende punten op de borstkas optekenen.
stom-,
stomat- of
stomato-
Tot de mond behorend of met betrekking tot de mond.
Voorbeeld 1: stomalgie, pijn in de mond.
Voorbeeld 2: stomatitis, ontsteking van het mondslijmvlies.
Voorbeeld 3: stomatologie, het specialisme dat zich bezighoudt met ziekten van de mond of mondholte.
sub- Onder of beneden. Voorbeeld: subcutaan, onder de huid of cutis.
supra- Boven of over. Voorbeeld: suprarenaal of suprarenalis, boven de nier of nieren gelegen.
syn- Samen, tegelijk of verbonden. Voorbeeld: synergie of synergisme, het samenwerken of wederzijds versterken. Dit kunnen spieren, zenuwen of geneesmiddelen zijn.
tachy- Snel of vlug. Voorbeeld: tachycardie of tachycardia, een versnelde hartwerking of hartritmestoornis.
tel- of tele- Einde, ver of op afstand.
Voorbeeld 1: telencephalon, kortweg gezegd de eindhersenen.
Voorbeeld 2: telechirurgie, het met behulp van een robot op afstand uitvoeren van chirurgische handelingen.
tetra- Vier. Voorbeeld: tetragonum, een vierhoek.
thermo- Warmte betreffend. Voorbeeld: thermotherapie, een vorm van fysiotherapie met gebruikmaking van droge of vochtige warmte. Dit kan met baden of infrarode stralen.
thoraco- Betreffende de borstkas of thorax. Voorbeeld: thoracoscopie, het bekijken van de borstholte met behulp van een thoracoscoop.
tox-,
toxico- of
toxo-
Met betrekking tot vergif.
Voorbeeld 1: toxanemie, bloedarmoede of anemie door toxische invloed veroorzaakt.
Voorbeeld 2: toxicodermie, een huidaandoening die veroorzaakt werd door giftige stof.
Voorbeeld 3: toxoglobuline, eiwit of globuline wat giftig is.
trans- Door of doorheen. Voorbeeld: transabdominaal, door de wand van de buik of abdomen heen.
tri- Drie. Voorbeeld: triangulair of triangularis betekent driehoekig.
trich- of tricho- Met betrekking tot een haar of de haren.
Voorbeeld 1: trichesthesie, haarpijn of overgevoeligheid van het haar.
Voorbeeld 2: trichomycose of trichomycosis, een door infectie met schimmels veroorzaakte haarziekte.
trombo- Betreffend bloedstolsel (trombus of trombe), stolling en stelpen van bloed.
Voorbeeld: trombopenie, een verlaagd aantal bloedplaatjes of trombocyten wordt ook trombocytopenie genoemd.
ultra- Overtreffend of in bijzondere mate. Voorbeeld: ultrasonoor of ultrasoon, trillingen met hoge frequentie.
uni- Eén of één bezittend. Voorbeeld: unicellulair, uit één cel bestaande.
ureter- of uretero- De urineleider of ureter betreffend.
Voorbeeld 1: ureteritis, ontsteking van de urineleider.
Voorbeeld 2: ureterografie, het maken van een afbeelding van de ureter.
urethr-,
urethra- of
urethro-
Betreffende de plasbuis, urinebuis of het urinekanaal (urethra).
Voorbeeld 1: urethritis, ontsteking van het urinekanaal.
Voorbeeld 2: urethrastenose, een vernauwing van de urinebuis.
Voorbeeld 3: urethrocystitis, ontsteking van de urinebuis (urethra) en de urineblaas (cystitis of blaasontsteking).
uro- De urine, het urineren of de urinewegen betreffend. Voorbeeld: urogenitaal, behorend tot de urinewegen en geslachtsorganen (genitaliën).
vaso- Met betrekking tot een bloedvat of vat. Voorbeeld: vasoconstrictie, vaatvernauwing door samentrekking van elementen in de vaatwand.
ven- of veno- Een ader of vena betreffend. Zie ook fleb- hoger op deze pagina.
Voorbeeld 1: venectasie, de verwijding van een ader.
Voorbeeld 2: venosclerose, het verharden van de wand van een ader (aderwand).
vesico- Met betrekking tot de blaas. Voorbeeld: vesicorenaal of vesicorenalis, met betrekking tot de urineblaas en nier (ren).
xantho- De kleur geel betreffend. Voorbeeld: xanthodermie, een gele verkleuring van de huid of dermis.
xeno- Met vreemd als betekenis.
Voorbeeld 1: xenobiotisch ofwel lichaamsvreemd.
Voorbeeld 2: xenofobie, angst voor of weerzin tegen alles wat ongewoon dan wel vreemd is of contact met vreemden.
xero- Droog. Voorbeeld: xeroderma of xerodermie. Het is een aandoening van de opperhuid gekenmerkt door droogte, rimpels en ruwheid met veelal ook schilfering van de huid.
zoö- Met betrekking tot een dier of diertje. Voorbeeld: zoöfobie ofwel vrees voor dieren.
ABCDEFGH I JKLMNOPQRSTUV • W • X • Y • Z

Er zijn voor geneeskundige woorden veel meer voorvoegsels in gebruik dan achtervoegsels. Als aanvulling op deze pagina is er nog een lijst met achtervoegsels.
Omhoog