Termen laboratoriumonderzoek

Een groot gedeelte - ongeveer 80 procent - van de onderzoeken of analyses waar een arts opdracht voor geeft betreft bloedonderzoek. De hematologie - de wetenschap die zich bezighoudt met de fysiologie en pathologie van het bloed en de bloedvormende organen - is uitgegroeid tot een volledige specialisatie. Er kunnen met betrekking tot het bloed een flink aantal testen worden uitgevoerd. Bloed, wat van uiterst groot belang is voor onze lichamelijke gezondheid en welbevinden... Op deze foto een viertal meetinstrumenten. In de onderliggende tabel vindt u de door ons verzamelde afkortingen en termen die men op de diverse formulieren voor onderzoek in een laboratorium kunnen voorkomen. We kennen een aantal verschillende soorten onderzoek, zoals:
  • algemeen klinisch chemisch onderzoek,
  • beenmerg onderzoek,
  • bloedstollings-onderzoek,
  • DNA onderzoek,
  • endocrinologisch onderzoek,
  • hematologisch onderzoek,
  • immunologisch onderzoek,
  • urine onderzoek.
  • ander onderzoek zoals enzymatische tests, holistische hematologie, microbiologie, multi-elementen haaranalyse, parasitologie en aan het immuunsysteem gerelateerde testen.
Buiten het al eerder genoemde bloed komen er ook allerlei andere lichaamseigen stoffen voor onderzoek in aanmerking. We denken dan aan materiaal zoals ontlasting - de faeces of feces - vocht uit het ruggenmerg, urine, weefsel, sperma en vocht wat verkregen wordt uit puncties in lichaamsholten of gewrichten.
ABCDEFGH I LMPRSTUV
Term: Verklaring:
ACE Het angiotensine converterend enzym (ACE) vinden we op het inwendig bekleedsel of endotheel van bloedvaten en lymfevaten, het is van belang voor de regulering van de bloeddruk. Verder in de longen, nieren en andere weefsels in het lichaam. Onder invloed van ACE wordt angiotensine I omgezet in angiotensine II. Het hormoon angiotensine, wat ook wel angiotonine wordt genoemd, bezit een bloeddruk verhogende en vaatvernauwende werking. Angiotensine II stimuleert de afgifte van aldosteron uit de bijnieren en is zodoende ook betrokken bij de huishouding van de electrolyten in het lichaam. ACE is ook in het bloedplasma aan te tonen. Verhoogde waarden worden onder andere gezien bij sarcoïdose (sarcoidosis), een chronische systeemziekte met een nog onbekende oorzaak.
AF Alkalische fosfatese van het serum. AF is een enzym dat de afsplitsing van fosfaat uit een organische verbinding mogelijk maakt en betrokken is bij het overdragen van dit fosfaat tussen verschillende stoffen in het lichaam. AF komt voor in de lever, botvormende cellen (osteoblasten), placenta, prostaat, nier en darmen. In het serum wordt vooral de botfractie en leverfractie gevonden. Een verhoogde waarde duidt op stuwing van galwegen (galweg-obstructie), beschadiging van dan wel druk op de lever, tijdens de zwangerschap (uit de placenta, vooral gedurende de laatste 3 maanden) of actieve vorming van bot. Bij kinderen in de groei wordt ook een hoge waarde vastgesteld, tot wel 4 à 5 keer de waarde bij volwassenen. Er wordt ook een afwijkende waarde gevonden bij de verweking van bot oftewel osteomalacie (osteomalacia).
ALAT Het enzym alanine-aminotransferase is meer actief in de lever dan het ASAT en wordt daar ook geproduceerd. ALAT is betrokken bij de aanmaak van eiwitten, komt veel voor in skelet-weefsel en vormt een goede indicator voor beschadiging van levercellen. Een verhoogd ALAT past bij beschadigde levercellen of een leverontsteking (hepatitis). De oude afkortingen GPT (glutamaat pyruvaat transaminase) en SGPT (serum glutamaat pyruvaat transaminase) komen ook nog wel voor.
Albumine Het eiwit albumine wordt door de lever aangemaakt (synthese) en meestal aan het bloed afgegeven. De grootste hoeveelheid eiwit dat in het bloed circuleerd is albumine. Albumine dient onder andere voor het binnen de bloedvaten houden van vloeistof en als transporteiwit voor bilirubine, vetzuren en vitaminen. Een afwijkende meetwaarde kan duiden op een beschadiging van de lever.
Alfa- antitrypsine Een eiwit dat trypsine remt. Een test door het laboratorium kan onder andere ontstekingen aan het licht brengen.
ALT Alanine aminotransferase, zie: ALAT hoger op deze pagina.
Amylase Het eiwit (enzym) amylase komt voor in pancreassap en speeksel, het wordt ook nog wel met de oude naam diastase of diastasis genoemd. Het enzym is benodigd voor de omzetting (splitsing) van zetmeel (amylum) in moutsuiker (maltose) of druivensuiker (glucose, populair: bloedsuiker). Verhoogde waarden worden gevonden bij een ernstige vorm van nierinsufficiëntie, een acute ontsteking van het pancreas (pancreatitis) of acuut plotseling verergeren (exacerbatie) van de chronische vorm van pancreatitis. Verder onder andere nog bij bof, afwijkingen aan of een belemmering (obstructie) van de speekselklieren dan wel bestraling van dit gebied. Een verhoging van de amylase waarde, gemeten in urine, ontstaat enige uren na de stijging in het bloed. Ook een zwangerschap toont een, weliswaar licht, verhoogde waarde.
ANA Anti-nucleaire (kern) antistoffen. ANA is een verzamelnaam voor alle antistoffen die werkzaam zijn tegen de celkern of nucleus. De bepaling van ANA blijkt een gevoelige methode om deze, in een groot aantal bestaande, anti-kern antistoffen aan te tonen. ANA's duiden op de mogelijke aanwezigheid van auto-immuunziekten. Als er ANA's zijn moeten deze vervolgens worden getypeerd in de verschillende ENA's, zie aldaar.
Antigliadine Sommige mensen kunnen niet tegen gluten in de voeding. Deze gluten komen echter wel in veel producten voor. Eén van de stoffen die we in gluten aantreffen is gliadine, het is een eiwit. De hoeveelheid antigliadine in de ontlasting (feces) kan in een laboratorium vastgesteld worden.
APTT Geactiveerde partiële tromboplastinetijd. Men noemt de APTT ook wel cefalinetijd. De APTT is een maat voor de stolbaarheid van op natrium-citraat afgenomen bloed na het toevoegen van calcium, fosfolipiden en een activator. De uitslag zegt iets over de activiteit van een aantal stollings-factoren.
ASAT Het enzym aspartaat-aminotransferase heeft een kleinere activiteit in de lever dan ALAT en is betrokken bij de aanmaak van eiwitten. Dit enzym is, net als ALAT, een gevoelige indicator voor beschadigde cellen van de lever en we vinden er veel van in skeletweefsel. Een verhoogd ASAT past ondermeer bij een leverontsteking (hepatitis) en schade aan hersenen of spieren. Indien ASAT meer is verhoogd dan ALAT duidt dit vaak op vergiftiging in plaats van een virus (bij voorbeeld hepatitis A, B of C) als oorzaak van de hepatitis. De oude afkortingen GOT (glutamaat oxaalacetaat transaminase) en SGOT (serum glutamaat oxaalacetaat transaminase) worden ook nog wel gebruikt.
AST Antistreptolysinetiter. Het AST is een bepaling van de hoeveelheid antistoffen in het bloed die in het lichaam gevormd zijn tegen streptolysine. Streptolysine is een door ziekte verwekkende (pathogene) streptococcen afgescheiden schadelijke gifstof: toxine, of beter nog exotoxine. Naast streptolysine kunnen streptococcen onder andere ook fibrinolysine of strepto-hyaluronidase afscheiden. De AST bepaling of test noemt men ook wel 'streptest'. De diverse typen antistoffen die in het bloed gevonden worden kunnen een aanleiding vormen tot het ontwikkelen van een ziekte. Dit kan dan eigenlijk beschouwd worden als een complicatie na de vooraf gaande infectie door de streptococcen.
Bèta defensin Bèta defensin is één van de zogenoemde defensinen. Ze worden geacht in staat te zijn diverse, voor het lichaam schadelijke, organismen onschadelijk te maken. Deze defensinen zijn belangrijk voor een goede werking van het immuunsysteem (afweer). Door middel van een in het lab uitgevoerd onderzoek van de ontlasting kan de waarde van dit defensin bepaald worden.
Bilirubine Bilirubine wordt voornamelijk uit hemoglobine door fagocyten aangemaakt in beenmerg, milt en lever. Het is een bestanddeel van het door de lever aangemaakte spijsverteringssap oftewel gal en roodbruin van kleur. Een test geeft een leverbeschadiging aan of dat er een boven-gemiddelde afbraak van rode bloedcellen plaatsvindt. Er kan ook een belemmering van de galweg bestaan. De afbraak van erytrocyten leidt tot het vormen van grote hoeveelheden bilirubine wat giftig voor de hersenen wordt wanneer het in een hoge concentratie in het bloed voor komt. Wanneer bilirubine in de urine terecht komt - wat niet zo zou mogen zijn - kan deze bruin kleuren. Bilirubine is tevens, net als vitamine C en vitamine E een antioxidant en beschermt zodoende tegen oxidatie.
BNP BNP staat voor natriuretisch peptide van het B-type. Er wordt een verhoogde waarde vastgesteld bij onder andere hartfalen en benauwdheid of kortademigheid (dyspneu of dyspnoe) die niet met aandoeningen aan het hart te maken hebben, zoals COPD of longembolie. Er bestaat een omgekeerde relatie met de lichaamsmassa index ofwel BMI. De bovengrens waarden variëren al naar geslacht en leeftijd.
BSE De snelheid van bezinking (BSE) der erytrocyten ofwel rode bloedcellen is afhankelijk van de eiwitsamenstelling van het bloedplasma. Verder ook van de doorstroming, grootte en vorm van de erytrocyten. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend. De bezinking is een maat voor de snelheid waarmee de rode bloedcellen zinken in bloed dat onstolbaar is gemaakt. Deze snelheid is verhoogd wanneer de hoeveelheid fibrinogeen of globuline in het bloed toeneemt, en de concentratie van albumine een afname laat zien, zoals dat bijvoorbeeld bij een infectie het geval is. Bij een normale waarde van de bezinking kan een acute en/of chronische ontsteking nagenoeg uitgesloten worden. Het bepalen van de BSE blijkt vooral nuttig ter controle van het verdere verloop van een infectieziekte.
CA 12-5 Glycoproteïne CA12-5 ofwel tumor-antigeen 12-5. Men vindt een verhoogde waarde bij kanker in een eierstok (ovariumcarcinoom). In een aantal gevallen ook bij baarmoederhalskanker (cervix carcinoom), borstkanker, kanker in het slijmvlies van de baarmoeder (endometrium) en kanker in het darmkanaal (tractus digestivus). Een verhoogde waarde kan ook tijdens de zwangerschap, bij sommige gezonde mensen en bij diverse niet kwaadaardige aandoeningen zoals cirrose aan de lever, goedaardige ovariële tumor en ontsteking in het kleine bekken (PID) voorkomen. CA 12-5 is vooral van belang bij het controleren van het verloop van een therapie of chemotherapie, een stijging van de waarde betekent vrijwel altijd een verergering van de ziekte of aandoening. Er kunnen belangrijke verschillen in de uitslag optreden wanneer de metingen in meerdere laboratoria uitgevoerd worden.
Calcium Het is van groot belang dat de concentratie van calcium in het bloed door het lichaam nauwkeurig geregeld wordt. Verschillende organen, klieren, spieren en zenuwen zijn hiervan afhankelijk. Bij deze regeling speelt het, door de bijschildklieren geproduceerde, parathormoon (PTH) een belangrijke rol samen met nog enige andere hormonen en vitamine D. Iets meer dan de helft van het calcium dat in het bloed wordt aangetroffen is gebonden aan voornamelijk het eiwit albumine en andere stoffen zoals lactaat. Het overblijvende gedeelte treffen we aan als actieve vrije calciumionen. Bij een calcium bepaling wordt meestal de totale hoeveelheid calcium in het bloed gemeten.
Calprotectine Calprotectine is een eiwit wat een paar mineralen bindt. Wanneer er ontstekingen in de darm bestaan wordt er een verhoogde waarde van dit eiwit vastgesteld.
CDT Carbohydraat-deficiënt transferrine. De CDT test wordt gebruikt om te kijken of iemand veel alcohol nuttigt. Wanneer iemand, over een periode van tenminste 14 dagen, dagelijks meer dan 1 fles wijn van 0,7 liter drinkt (dit is ongeveer 60 gram alcohol ) blijkt de CDT waarde toe te nemen tot meer dan 2,6%.
CEA Carcino-embryonaal antigeen. CEA valt onder de zogenaamde tumormerkers. Een CEA bepaling is van nut bij onder andere darmkanker, endeldarmkanker, pancreaskanker en kanker aan de galblaas. Bij rokers wordt een weinig verhoogde waarde gemeten. Wat hogere meetwaarden worden onder andere gevonden bij een schrompeling van de lever (cirrose) of aanwezige ontstekingen. Een duidelijke verhoging van de CEA waarde wijst helaas al op de aanwezigheid van een groot volume aan tumoren in het lichaam.
CHE Choline-esterase is een enzym dat betrokken is bij de prikkelgeleiding in de zenuwen. Er komen verschillende vormen voor in de lever. Het is een maat voor de leverfunctie. Omdat mensen die het enzym verlaagd produceren bepaalde spierverslappers (die tijdens bepaalde operaties worden gebruikt) niet snel genoeg afbreken wordt het ook wel bepaald op verzoek van een anesthesioloog. Bepaalde afwijkingen kunnen erfelijk zijn, waardoor soms familieonderzoek wordt uitgevoerd.
Cholesterol De lever maakt een groot gedeelte van het zich in het lichaam bevindende cholesterol aan en scheidt dit, in de vorm van VLDL-cholesterol, af naar het bloed. We vinden het cholesterol niet in een opgeloste vorm in het bloed maar gebonden aan andere deeltjes. Cholesterol vervoert vetten in het lichaam en is tevens de grondstof voor allerlei hormonen. Een verhoogde cholesterol waarde wordt gevonden bij een verstoring van de vethuishouding. De referentie-waarden bij een meting zijn afhankelijk van de leeftijd. Een zeer groot gedeelte van de volwassenen in Nederland heeft een te hoog gehalte aan cholesterol in het bloed ...
CK of CPK Creatine kinase of creatine fosfokinase is een enzym wat zorgt voor de omzetting van creatine in fosfo-creatine. Deze stof komt voor in (hart)spiercellen en levert energie voor het samentrekken van de spieren. Verhoogde CK waarden komen voor bij spierschade en schade aan de hartspier. Na een infarct laat zich na ongeveer 24 uur een sterk verhoogde CK-waarde vaststellen. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend. Zie ook: creatinine.
CK-MB Creatine kinase iso-enzym. Deze term staat voor creatine kinase opgebouwd uit de eenheid M plus eenheid B.
CMV Het cytomegalovirus wat evenals verschillende andere virussen de veroorzaker van leverontsteking ofwel hepatitis kan zijn. Het virus kan ook pijnlijke gezwollen lymfklieren veroorzaken. In sommige laboratoria kan naast bloedonderzoek ook materiaal op kweek gezet worden.
Cortisol Cortisol is een hormoon dat afkomstig is uit de bijnieren. Het ACTH hormoon uit de hypofyse stimuleert de uitscheiding van cortisol door de bijnier. Wanneer wordt gesproken over cortisol wordt meestal het totale gehalte bedoeld, dit is het totaal van gebonden en vrij cortisol. In het lichaam is alleen het niet gebonden of vrij cortisol actief. Het grootste gedeelte in het bloed, zo'n 90 procent, is gebonden aan albumine en transcortine. Het gehalte aan dit hormoon uit de bijnier vertoont een dagritme, de grootste aanmaak vindt plaats in de vroege ochtend. Cortisol is betrokken bij het regelen van talloze processen die te maken hebben met de alertheid van het lichaam. Te veel cortisol leidt onder andere tot hoge bloeddruk en een verhoogd bloedsuiker-niveau. Een laag gehalte aan cortisol kan leiden tot een te lage bloeddruk en een ernstig gevoel van zwakte.
CPK Creatine fosfo-kinase. De afkorting CK ofwel creatine kinase wordt ook gebruikt. Zie hierboven.
Creatinine Creatinine komt in het bloed terecht door de spierstofwisseling. Dit gebeurt door de afbraak van fosfocreatine, een stof die in de spieren voor komt en energie levert, en creatine. Doordat de spiermassa in het lichaam afhankelijk is van leeftijd, lichaamsgewicht en geslacht zal de hoeveelheid creatinine die gevormd wordt daar dan ook van afhangen. De nieren zorgen er voor dat de creatinine weer uit het bloed wordt verwijderd. De concentratie van creatinine in het bloed, die overigens ook afhankelijk is van het eten van gebakken of gekookt vlees, geeft dus inzicht ten aanzien van de nierfunctie.
CRP C-reactief proteïne is één van de zogenoemde acute fase-eiwitten dat normaal gesproken niet of nauwelijks in het bloed voorkomt. De lever maakt dit proteïne aan na het ontstaan van een ontsteking of verval van weefsel ergens in het lichaam. CRP is een eiwit dat betrokken is bij de afweer (immuunsysteem) en behulpzaam bij het opruimen van bacteriën zoals het pneumococcen C-polysacharide. Een verhoging - die honderden keren hoger kan zijn dan de maximale referentie waarde - past bij een infectie door een bacterie of virus, maar wordt ook vastgesteld na een operatie of ander trauma dat ontstekingen veroorzaakt. De hoogte van de waarde geeft de ernst van het ontstekingsproces duidelijk aan. Wanneer andere aandoeningen zijn uitgesloten kan een verhoogde CRP waarde ook een indruk geven van de activiteit van een reumatische aandoening. In het lichaam wordt CRP snel aangemaakt en weer afgebroken waardoor het een goede maat is voor het optreden en weer verdwijnen van een (acute) infectie of verwonding. De referentie waarden zijn aan leeftijd gebonden.
DHEA Dehydro epi-androsteron. DHEA is een zwakke mannelijke kenmerken veroorzakende ofwel androgene stof die voornamelijk in de bijnieren aangemaakt word.
DHEAS Dehydro epi-androsteron sulfaat. DHEAS is een zwak mannelijk geslachtshormoon dat zowel bij mannen als vrouwen uit DHEA in de bijnieren en lever wordt geproduceerd. Een afwijkend niveau kan passen bij een ontregeling van de hormoonproductie op één van de plaatsen waar het geproduceerd wordt. Het DHEAS niveau ligt bij vrouwen op de vruchtbare leeftijd aanzienlijk hoger dan tijdens de postmenopauze.
EBV Het Epstein-Barr virus dat mononucleosis infectiosa veroorzaakt. Deze aandoening noemt men ook wel de ziekte van Pfeiffer en kan, wanneer de lever niet wordt ontzien, vaak ontaarden in een lichte leverontsteking (hepatitis). Deze hepatitis blijkt geen chronisch karakter te krijgen en altijd te genezen.
ENA Extraheerbaar nucleair antigeen. ENA is de verzamelnaam voor antistoffen tegen oplosbare nucleaire antigenen. Diverse combinaties van de verschillende antistoffen kunnen allerlei autoimmuunziekten aantonen, of deze juist van elkaar onderscheiden.
EPX EPX staat voor eosinofiel proteïne-X. Bij astma, allergie of een intolerentie voor bepaalde stoffen in de voeding kan dit eiwit in de ontlasting onderzocht worden.
Erytrocyten Erytrocyten zijn de rode bloedcellen die een levensduur van ongeveer 120 dagen hebben. Ze hebben de vorm van een platte schijf met een ingedeukt oppervlak en zijn gevuld met hemoglobine, een ijzerhoudend en zuurstof dragend eiwit. Met behulp van een bloeduitstrijkje zijn eventuele afwijkende vormen van erytrocyten vast te stellen, zoals de:
  • acanthocyten,
  • annulocyten,
  • elliptocyten,
  • schizocyten,
  • sferocyten,
  • siderocyten,
  • stomatocyten.
Er circuleren vele miljarden erytrocyten in het bloed. Iedere seconde blijken er enige miljoenen exemplaren te verdwijnen en weer door nieuwe vervangen te worden! Bij bloedarmoede wordt het aantal rode bloedcellen enigszins verlaagd, maar vooral hun vulling met hemoglobine (Hb) neemt af. Ernstige bloedingen of leukemie zorgen voor een sterk verlaagd aantal erytrocyten. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend.
FDP Fibrinogene of fibrine degradatie producten. In het fibrinolytische oftewel fibrine afbrekende systeem wordt door het plasmine enzym fibrine afgebroken. Bij dit afbreken komen FDP's in het bloed vrij. Wanneer alles normaal verloopt worden deze FDP's weer snel uit de bloedbaan verwijderd.
FE IJzer of FE is een essentiële bouwsteen van hemoglobine, de stof in rode bloedcellen die verantwoordelijk is voor het zuurstoftransport. Een tekort hieraan leidt tot bloedarmoede. Te veel ijzer leidt tot leververgiftiging en andere orgaanschade.
Ferritine Ferritine is een eiwit wat betrokken is bij de opslag van overtollig ijzer in de lever en andere organen. Transferrine dient voor het vervoeren van ijzer in de bloedsomloop. Ferritine is benodigd voor de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen. Een verlaagd gehalte aan ferritine wijst op een ijzertekort, wat vaak bloedarmoede veroorzaakt. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend.
Fibrinogeen Fibrinogeen (stollingsfactor I) is één van de zogenoemde acute fase-eiwitten. Het is een eiwit dat bij stolling door trombine, wat op zijn beurt gevormd is uit protrombine (stollingsfactor II), wordt omgezet in fibrine. Fibrine vormt een soort van netwerk tussen de samengeklonterde bloedplaatjes, wat essentieel is voor een goede bloedstolling of hemostase. Een te laag gehalte aan fibrinogeen maakt goede stolling moeilijk of zelfs onmogelijk.
Folaat Folaat is de verzamelnaam voor de verschillende verbindingen die foliumzuur kan aangaan. Zie ook foliumzuur hier direct onder.
Foliumzuur Foliumzuur of acidum folicum is één van de essentiële bouwstenen van ondermeer de bloedcellen. Het zuur behoort tot de familie van de B-vitaminen en komt voor in groene groenten, lever, noten en volkoren producten. Bij een tekort aan foliumzuur ontstaat een of andere vorm van bloedarmoede. Een aantal oorzaken die een gebrek aan foliumzuur kunnen veroorzaken zijn:
  • voeding die niet volwaardig is,
  • een verminderde opname of absorptie door de dunne darm, dit op zich kan weer diverse oorzaken hebben,
  • alcoholmisbruik,
  • de invloed van sommige geneesmiddelen zoals barbituraten of slaapmiddelen,
  • een verhoogde behoefte van het lichaam zoals bij zwangerschap optreedt.
Tijdens de zwangerschap leidt een foliumzuur tekort - de behoefte van het lichaam is ongeveer verdubbeld - tot een verhoogde kans op een open ruggetje of neuraalbuisdefect bij het pasgeboren kind.
Fosfaat Fosfaat is belangrijk voor ons lichaam. De regeling van het fosfaat-gehalte in het bloed vindt plaats samen met die van calcium. Ontregeling van het gehalte aan fosfaat is vaak het gevolg van een andere ontregeling. We kunnen hierbij denken aan de nieren, botten of de bijschildklier.
FSH Follikel stimulerend hormoon. Het FSH wordt aangemaakt in de hypofyse (in de hersenen) en zorgt bij vrouwen voor het uitrijpen van eicellen door de productie van het hormoon estradiol of oestradiol uit cholesterol te stimuleren. Zodra er voldoende estradiol wordt geproduceerd ziet de hypofyse dat en daalt de FSH productie weer. Een hoge FSH waarde duidt op een lage estradiol productie omdat er geen eicellen (meer) uitrijpen. Bij de man is het FSH nodig voor een goede rijping van de zaadcellen.
FT4 Vrij T4 of vrij thyroxine. FT4 is een hormoon wat wordt afgegeven (secretie) door de schildklier na het stimuleren door het TSH hormoon. Dit hormoon zorgt ervoor dat allerlei processen in het lichaam snel genoeg verlopen. Een te lage waarde duidt op een te traag werkende schildklier. Een te hoge waarde duidt dus op een te snel werkende schildklier. Zie ook: T4 lager op deze pagina.
gGT Gamma glutamyl-transpeptidase of transferase is een enzym dat betrokken is bij de aanmaak van eiwitten. Het wordt geproduceerd door de lever, nieren en pancreas. Een verhoging duidt op stuwing van galwegen of druk op de lever. Een licht verhoogde waarde wordt ook gevonden bij overmatig gebruik van alcohol. De test kan ook een geneesmiddelen vergiftiging, orgaan beschadiging of aandoening van de pancreas aangeven. Het gGT enzym kan gevoelig reageren op het gebruik van geneesmiddelen, chemotherapie, radiotherapie en alcohol gebruik. Hierdoor zijn sterke schommelingen in de meetwaarden mogelijk.
Glucose Glucose of bloedsuiker vormt de hoofd brandstof van het lichaam. Een verhoogde of verlaagde waarde wijst op een verstoring van het regelmechanisme, waar diverse hormonen bij betrokken zijn. Een veel voorkomende reden voor een verhoogd glucose gehalte - na een afname van bloed op de nuchtere maag - is suikerziekte of diabetes. Dit door een tekort aan insuline of een te lage gevoeligheid - met name in levercellen en spiercellen - voor deze stof. Dit leidt tot een ontregelde stofwisseling (metabolisme) met onder andere verhoogde glucose of bloedsuiker spiegels.
GOT Glutamaat-oxaalacetaat-transaminase, zie: ASAT hoger op deze pagina.
GPT Glutamaat-pyruvaat-transaminase, zie: ALAT hoger op deze pagina.
Haaranalyse De haarmineraal-analyse is een uitstekend diagnostisch hulpmiddel tot het opsporen van disbalansen in de cellulaire stofwisseling van het lichaam. Er kunnen tijdens deze analyse in het laboratorium enige tientallen elementen uitgetest worden.
Haptoglobine Haptoglobine is één van de zogenoemde acute fase-eiwitten. Dit eiwit is betrokken bij het opruimen van de afbraakproducten van beschadigde rode bloedcellen. Een verlaagde waarde van haptoglobine duidt op een verbruik van haptoglobine en dus op een verhoogd aantal beschadigde rode bloedcellen.
Hb Hemoglobine. Hemoglobine is het eiwit in de rode bloedcellen. Het gehalte aan hemoglobine in het bloed is een maatstaf voor voldoende aanmaak en vulling van de rode bloedcellen ofwel erytrocyten. Hemoglobine verzorgt het transport van kooldioxide en zuurstof tussen de longen en weefsels in het lichaam. Zuurstof is slecht oplosbaar in water. Zodoende kan het bloedplasma - het bloed zonder de bloedcellen - maar een geringe hoeveelheid zuurstof transporteren. Hemoglobine echter is in staat een tientallen keren grotere hoeveelheid zuurstof aan zich te binden en zo te vervoeren. Voor zowel lichamelijke als geestelijke inspanning is een voldoend grootte aanvoer van zuurstof vereist. Daarom geeft een te laag gehalte aan hemoglobine aanleiding tot vermoeidheid of problemen bij het inspannen. Een verlaagd niveau van Hb (anemie of bloedarmoede) kan worden veroorzaakt door een versneld verlies of vertraagde aanmaak van rode bloedcellen. Door het bepalen van de grootte en de vulling van deze rode bloedcellen, het aanwezig zijn van belangrijke bouwstoffen - zoals ferritine, foliumzuur en vitamine B12 - alsmede merkstoffen voor afbraak (LDH) en aanmaak (reticulocyten) kan er beoordeeld worden waar de mogelijke oorzaak van de bloedarmoede ligt. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend maar de leeftijd is ook van invloed.
HbA1c Glyco-hemoglobine. Deze hemoglobine aanduiding staat voor versuikerd of geglycosyleerd hemoglobine. Het is een maat voor de gemiddelde concentratie van glucose over een, aan de bloedafname, voorafgaande periode van enige weken. Een verhoogde waarde duidt op een te hoge gemiddelde concentratie van glucose in het bloed. Dit wordt gevonden bij suikerziekte oftewel diabetes. De HbA1c test is ook bij uitstek geschikt om een patiënt met suikerziekte te volgen.
HCG Humaan chorion-gonadotrofine. HCG wordt onder andere geproduceerd in de chorionvlokken van de placenta, na bevruchting van een eicel. Een verhoogd gehalte aan HCG duidt dus op zwangerschap en hierop is dan ook het principe van de zwangerschapstest gebaseerd. Deze zwangerschapstest zal ongeveer 2 tot 4 weken na het uitblijven van de menstruatie (conceptie) positief worden. Het bepalen van HCG in een laboratorium is duurder maar nauwkeuriger. Behalve bij zwangerschap kan HCG echter ook door sommige gezwellen of tumoren worden geproduceerd. Het HCG heeft een op het LH - luteïniserend of luteotroop hormoon - gelijkende werking.
HDL- cholesterol HDL-cholesterol is cholesterol dat getransporteerd wordt door HDL oftewel hoge densiteit (= dichtheid) lipoproteïnen. Het is vooral betrokken bij het voor verbruik gereed maken van vetten. Omdat dit leidt tot een verlaging van het vetgehalte noemt men HDL-cholesterol, in tegenstelling tot LDL-cholesterol, ook wel de 'goede cholesterol'. Sommige geneesmiddelen en anabole steroïden geven een verlaging van het HDL-cholesterol te zien.
Ht Hematocriet (Ht) staat voor dat deel van het volume van het bloed dat wordt bepaald door de bloedcellen. Een verhoogde waarde doet de dik-vloeibaarheid of viscositeit toenemen. Als gevolg hiervan wordt het transport van zuurstof naar de verschillende weefsels verslechterd. Een verlaging van de waarde wijst op bloedarmoede. Een verhoging zien we bij uitdroging of een bovenmatige activiteit van het beenmerg. De hematocriet wordt bepaald door het volume van de bloedcellen te delen door het volume van de bloedcellen èn het plasma opgeteld. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend maar de leeftijd is ook van invloed.
IgA Immunoglobuline-A of IgA is een lid van de familie van antistoffen en vooral belangrijk bij het bestrijden van infecties voordat ze in de bloedbaan doordringen. Deze antistof wordt afgegeven in de luchtwegen, het speeksel, het slijmvlies van de darmen en de urinewegen. Het komt ook voor in traanvocht en de moedermelk tijdens de eerste dagen na de bevalling (colostrum). De hoeveelheid IgA is ongeveer 15% van de immunoglobulinen in het bloedserum. De concentratie van IgA in het bloed is afhankelijk van de leeftijd. Immunoglobuline A is vooral van belang voor de immunologische afweer op het oppervlak van slijmvliezen. Het verhindert de aanhechting van bacteriën en virussen aan cellen in het lichaam.
IgE Immunoglobuline-E ofwel IgE is een lid van de familie van antistoffen. De hoeveelheid IgE in het bloedserum is het laagste van het vijftal immunoglobulinen (IgA, IgD, IgE, IgG en IgM), deze bedraagt nog lang geen procent. Deze antistof is betrokken bij de afweer tegen parasieten en allergische reacties. Een verhoogd IgE wordt dan ook gezien bij een allergische reactie of een infectie door parasieten. Tevens is de invloed die de inwerking van antigenen op het lichaam heeft veel groter. Dit betreft met name kinderen. Een normale IgE bepaling wil niet zeggen dat er geen allergie kan bestaan. De concentratie van IgE in het bloed is afhankelijk van de leeftijd.
IgG Immunoglobuline-G of IgG is een lid van de familie van antistoffen wat ook wel gammaglobuline genoemd wordt. Het IgG vertegenwoordigd zo ongeveer 75% van alle in het bloedplasma aanwezige immunoglobulinen. In het bloed van een pasgeborene komt alleen IgG voor. Dit IgG komt uit het lichaam van de moeder doordat het als enige van de immunoglobulinen de placenta kan passeren en zo de bloedsomloop van de foetus kan bereiken. Zodoende kan een passieve immuniteit ontstaan die bescherming moet bieden totdat het immuunsysteem van de baby zich volledig heeft ontwikkeld. De concentratie van IgG in het bloed is afhankelijk van de leeftijd.
IgM Immunoglobuline-M. IgM is een lid van de familie van antistoffen wat belangrijk is voor de eerste afweer of immuunrespons. IgM is voornamelijk van belang als neutraliserende antistof tijdens een eerste contact met micro-organismen in de bloedbaan (lyse of lysis). Deze afweer wordt later overgenomen door de IgG antistoffen. De hoeveelheid IgM bedraagt ongeveer 10% van de totaal aan immunoglobulinen die zich in het bloedserum bevinden. De concentratie van IgM in het bloed is afhankelijk van de leeftijd. Immunoglobuline M van de moeder kan de placenta niet passeren. Wanneer er in het bloed van een baby IgM wordt aangetoond is dit waarschijnlijk ontstaan door een infectie, opgelopen tijdens de perinatale of prenatale periode.
Indican Indican (indikan) of indicaan is het kaliumzout van indoxylzwavelzuur. Met een test uitgevoerd in het laboratorium kunnen de afvalstoffen indican en skatol opgespoord worden.
INR Protrombinetijd of trombotest. Het bloedonderzoek waarbij de mate van onstolbaarheid gemeten wordt heet trombotest. Men gebruikt nu de afkorting INR, de internationaal genormaliseerde ratio. Dit is de PT waarde die verkregen wordt door een referentie tromboplastine te gebruiken. Zie ook: PT lager op deze pagina.
Insuline Insuline is in het lichaam, samen met een aantal andere hormonen, een belangrijk hormoon dat verantwoordelijk is voor het reguleren van de bloedsuiker-spiegel (glucose-spiegel). Na een maaltijd die rijk is aan koolhydraten stijgt de productie van insuline. Als enige van de genoemde hormonen doet insuline het gehalte aan glucose dalen. Suikerziekte of diabetes gaat gepaard met een relatief lage productie van insuline of onvoldoende gevoeligheid voor insuline. Bij een te hoge insuline productie, bijvoorbeeld als gevolg van een tumor (insulinoom) wordt het bloedsuiker niveau juist te laag. Ook gedurende de zwangerschap worden er in het lichaam hormonen aangemaakt die de bloedsuiker-spiegel verhogen. Normaal gesproken wordt er, ter compensatie, een grotere hoeveelheid insuline door de alvleesklier ofwel pancreas van de moeder afgescheiden. Op deze manier wordt het gehalte aan glucose op een gemiddeld normale waarde gehouden. Wanneer de hoeveelheid insuline echter niet groot genoeg is bestaat de kans op de zo genoemde zwangerschaps-diabetes. Over het algemeen zal deze situatie zich na de zwangerschap weer stabiliseren.
Lactaat Lactaat is het afbraakproduct van glucose wat ontstaat wanneer er een te geringe hoeveelheid zuurstof ter beschikking staat. Het gehalte aan lactaat is verhoogd als zuurstof niet afgeleverd kan worden op de plaats waar glucose verbruikt wordt. Dit als voorbeeld bij extreme inspanning of bij het wegvallen van het zuurstoftransport ten gevolge van een hartstilstand.
LD of LDH Lactaatdehydrogenase (LDH) - LD of totaal LDH wordt ook gebruikt - is een enzym wat ontstaat uit erytrocyten en dat voorkomt in de lever, hartspier, skeletspieren en rode bloedcellen. Dit enzym is benodigd bij het omzetten van melkzuur (lactaat) in pyro-druivenzuur of omgekeerd. Bij een hartinfarct wordt altijd een verhoogde LDH waarde gemeten die ook erna nog enige dagen verhoogd blijft. Aangezien het LDH bij vele aandoeningen een verhoogde waarde toont zal er, om inzicht te krijgen in de werking van verschillende organen, een combinatie met andere laboratoriumuitslagen benodigd zijn.
LDL- Cholesterol LDL-Cholesterol is cholesterol dat vervoerd wordt door LDL oftewel lage densiteit (= dichtheid) lipoproteïnen. Het is vooral betrokken bij de opslag van vetten en vervoer van vetten naar de lever. Omdat dit leidt tot een verhoging van het lichaamsvetgehalte wordt LDL-cholesterol, in tegenstelling tot HDL-cholesterol, ook wel het 'slechte cholesterol' genoemd. Deeltjes LDL kunnen in verschillende weefsels worden opgenomen. Wanneer het gehalte aan LDL in het bloed stijgt zal dit een ophoping in weefsels te zien geven. Als dit gebeurt in het bekleedsel (endotheel) van bloedvaten zal er ook een vernauwing van slagaders oftewel aderverkalking (atherosclerose) optreden.
Leucocyten Leucocyten zijn witte bloedcellen of bloedlichaampjes, hun aantal is veel kleiner dan van de rode bloedcellen. Ze worden in het beenmerg aangemaakt en er bestaan verschillende typen, zie hieronder. Ze vervullen een sleutelrol in het afweersysteem of immuunsysteem van het lichaam. Het is de taak van de leucocyten om het lichaam te beschermen tegen allerlei vormen van infectie, parasieten, virussen en bacteriën. Hun aantal is verhoogd bij infecties en leukemie maar ook bij vele andere ziekten. Een verlaagd aantal wordt gevonden bij een verminderde functie van het beenmerg.
Leucocyten differentiatie Met leucocyten differentiatie wordt bedoeld het uitsplitsen van de witte bloedcellen naar de verschillende (sub)typen. De normaal voorkomende typen leucocyten zijn:
  • basofiele granulocyten,
  • eosinofiele granulocyten,
  • lymfocyten,
  • monocyten en
  • neutrofiele granulocyten.
Granulocyten hebben hun naam te danken aan het feit dat deze cellen korrels of granula met enzymen bevatten. De gesplitste leucocyten informatie is van belang om de oorzaak van een verhoogd of verlaagd aantal witte bloedcellen te achterhalen. De differentiële telling van de leucocyten is zeer nuttig wanneer er een verdenking op de ziekte van Pfeiffer rust.
LH Luteïniserend of luteotroop hormoon. Dit hormoon wordt geproduceerd door de hypofyse in de hersenen en stimuleert de eisprong met vervolgens de productie van het progesteron hormoon bij de vrouw. Bij de man is LH nodig voor de productie van het testosteron hormoon.
Lithium Veel geneesmiddelen hebben invloed op de concentratie van lithium in het bloedplasma. Iemand die al langere tijd op een hogere lithium spiegel staat heeft een onverantwoord hoge kans op bijwerkingen, in het bijzonder een stoornis in de nierfunctie. Een lage waarde wordt gemeten bij het gebruik van medicatie die natrium bevat. Het verschil tussen een therapeutische en toxische concentratie lithium blijkt slechts klein te zijn.
Lymfocyten Lymfocyten zijn de witte bloedcellen die van groot belang zijn voor het afweersysteem (immuunsysteem) van het lichaam. Ze zijn betrokken bij de productie van antistoffen - dit zijn de B-lymfocyten - en het bestrijden van virussen, de T-lymfocyten. Wanneer het lichaam opnieuw in contact komt met micro-organismen zoals salmonella of een virus treedt er een soort geheugen - de verworven immuniteit - tegen deze stoffen in werking. Hierbij werken de lymfocyten met macrofagen samen. Verhoogde aantallen worden gezien bij virale infecties en (lymfatische) leukemie. De bepaling van lymfocyten is vanzelfsprekend ook van belang bij de diagnose van immuunziekten.
MCH Gemiddelde hoeveelheid hemoglobine per erytrocyt of rode bloedcel. Een te lage waarde past bij bloedarmoede. De waarde wordt berekend door het hemoglobine (Hb) te delen door het aantal erytrocyten per liter. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend.
MCHC Gemiddelde hemoglobine-concentratie per erytrocyt of rode bloedcel. Een te lage waarde past ook hier bij bloedarmoede. De waarde wordt berekend door het hemoglobine (Hb) te delen door het hematocriet (Ht). De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend.
MCV Gemiddeld hemoglobine-volume per erytrocyt of rode bloedcel. Bij bloedarmoede wijst de waarde van het MCV naar de oorzaak. Een te lage waarde wijst op een ijzergebrek, een te hoge waarde past eerder bij een gebrek aan vitamine B12 of foliumzuur. De waarde wordt berekend door het hematocriet (Ht) te delen door het aantal erytrocyten per liter. De maximum grenswaarden zijn bij man en vrouw verschillend.
Pancreas elastase Het uitvoeren van deze test is nuttig om vast te stellen of er sprake is van een insufficiëntie in de afscheiding (excretoir) van de pancreas. Pancreas elastase is een enzym dat eiwit afbreekt.
Parathormoon Het parathormoon of PTH wordt ook wel parathyroïd hormoon genoemd en is het hormoon dat door de bijschildklieren geproduceerd wordt. Het heeft als belangrijkste taak, samen met andere hormonen en vitamine D3, de concentratie van calcium in het bloed te regelen maar ook die van fosfor. Het PTH heeft een directe invloed op de botten door middel van het mobiliseren van calcium. Verder bevordert dit hormoon onder andere de uitscheiding van fosfaat door de nieren.
pH De zuurgraad van het bloed. Wanneer er een pH van 7 bepaald wordt is dat een neutrale waarde, lager dan 7 is zuur en hoger dan 7 is alkalisch of basisch.
Progesteron Progesteron is het vrouwelijk geslachtshormoon dat wordt geproduceerd door het geel lichaam in de eierstok (het corpus luteum) vanaf de eisprong tot aan de menstruatie. Later tijdens de zwangerschap wordt deze productie overgenomen door de placenta. Een blijvend laag gehalte aan progesteron geeft aan dat er geen eisprongen zijn.
Prolactine Prolactine is een hormoon dat wordt aangemaakt in de hypofyse. Het stimuleert, samen met andere hormonen, de productie van moedermelk (de lactatie) door het vrouwelijk klierweefsel in de borsten. Een sterk verhoogde prolactine waarde bij de vrouw kan het uitblijven van de menstruatie ofwel amenorroe veroorzaken. Wanneer dit bij de man gebeurt is er sprake van impotentie en een duidelijk verlies aan seksuele gevoelens (libido). Een te hoog prolactine kan veroorzaakt worden door een verhoogde stimulatie door hormonen uit de hoger gelegen hypothalamus of door een tumor (prolactinoom).
PSA Prostaat specifiek antigeen. PSA is een tumormerkstof die ook gebruikt kan worden bij de diagnose van prostaatkanker. Een lage waarde sluit prostaatkanker uit en een erg hoge waarde past bij prostaatkanker. In het tussenliggende, zogenaamde grijze, gebied kan een licht verhoogde waarde ook passen bij een vergrote prostaat zonder dat er echter sprake is van een tumor.
PT Protrombinetijd. De PT wordt uitgedrukt in seconden en is een maat voor de bloedstolling. Bij deze test, die niet in nuchtere toestand hoeft te worden uitgevoerd, wordt van op natriumcitraat afgenomen bloed de stollingstijd gemeten na het toevoegen van tromboplastine. Tromboplastine is een mengsel van fosfolipiden en weefselfactor, dit in tegenstelling tot de APTT test waarbij alleen fosfolipiden worden toegepast. Bij de PT test meet men met name de activiteit van die stollingsfactoren waarvan de activiteit afhankelijk is van vitamine K en functiestoornissen van de lever. Een verlengde tijd duidt op vertraagde stolling en kan passen bij een vitamine-K tekort, bijvoorbeeld als gevolg van een verstoorde opname in de darm of een galtekort. Galzouten zijn benodigd voor de opname van onder andere de in vet oplosbare vitaminen door de dunne darm. Voor de stolling zijn naast vitamine-K tevens een aantal door de lever geproduceerde stoffen benodigd. Deze test wordt ook toegepast om de mate van ontstolling of bloedverdunning te bepalen bij patiënten die hiervoor geneesmiddelen - therapie met orale antistolling - nemen en onder controle staan van de trombosedienst. In zeldzame gevallen kan er een, eventueel erfelijk, tekort bestaan aan een bepaalde stollingsfactor. Dit kan bijvoorbeeld de zogenaamde Factor VII zijn die, naast vele andere stollingsfactoren, in de lever wordt aangemaakt.
PTH Zie: parathormoon iets hoger op deze pagina.
Reticulocyten Een reticulocyt is eigenlijk een jonge erytrocyt. Bij een flinke aanmaak van bloed vinden we deze reticulocyten in een verhoogde mate in het bloed. Zie ook: erytrocyten hoger op deze pagina.
Scatol Scatol of skatol (methylindol) als stinkend bestanddeel van de ontlasting (feces) ontstaat door de bacteriële afbraak van het eiwit tryptofaan. Met een door het laboratorium uitgevoerde test kunnen de afvalstoffen indican en scatol opgespoord worden.
SGOT Zie: ASAT hoger op deze pagina.
SGPT Zie: ALAT hoger op deze pagina.
sIgA Secretoir immunoglobuline A. sIgA remt door middel van hechting schadelijke bacteriën en zorgt voor de verdediging van de slijmvliezen in het maag-darmkanaal. Een tekort aan dit klasse A immunoglobuline kan chronische infecties tot gevolg hebben, ook in de luchtweg.
SKB Sedimentatie kombi bloedtest of bloedsediments-kombitest. De SKB test bestaat uit een tweetal verschillende onderdelen.
SKL De SKL test is door Dr. Sklenar ontwikkeld. Tijdens het uitvoeren van deze test wordt zowel de vorm, kleur als structuur van de rode bloedcellen of erytrocyten bekeken.
T3 Tri-jodothyronine is net als T4 een hormoon van de schildklier dat de grond-stofwisseling of basaal-metabolisme beïnvloed. T3 is metabool gezien meer actief dan het T4 hormoon. Voor de productie ervan is, zoals al uit de naam blijkt, jodium benodigd. In het bloed is het merendeel van T3 gebonden aan eiwitten die een transport functie hebben. Slechts een zeer klein percentage aan T3 komt in vrije vorm voor. Ook al zijn er geen problemen met de schildklier kan het gehalte aan T3 in het bloed dalen door verschillende medicijnen, acute dan wel chronische ziekten, een zwangerschap of bijvoorbeeld vasten.
T4 Tetra-jodothyronine ofwel thyroxine. De afscheiding van T4 wordt gestimuleerd door het TSH hormoon uit de voorkwab van de hypofyse en is, net als T3, een hormoon van de schildklier. Voor de productie ervan is, zoals ook hier weer uit de naam blijkt, jodium benodigd. In het bloed is het grootste gedeelte van T4 gebonden aan eiwitten met een transport functie. Een klein percentage T4 komt in vrije vorm voor, dit is FT4 ofwel vrij T4. De grondstofwisseling ofwel basaalmetabolisme in het lichaam wordt ook door T4 beïnvloed.
Testosteron Testosteron is het belangrijkste mannelijke geslachtshormoon. Testosteron is nodig voor een normale ontwikkeling van de mannelijke geslachtskenmerken. Bovendien is testosteron nodig voor een goede productie van zaadcellen. Het vrij in het bloed circulerende testosteron is biologisch actief, dit is slechts een paar procent van het totale gehalte. Het grootste gedeelte is aan eiwitten gebonden. Tijdens de vruchtbare leeftijd zien we bij vrouwen ook testosteron in het bloed, dit weliswaar in een geringe hoeveelheid. Dit hormoon wordt door de bijnieren en eierstokken (ovaria) geproduceerd.
Trans- glutaminase Transglutaminase wordt vrijgemaakt wanneer er weefsel wordt beschadigd. Ook ontstaan er eiwit verbindingen die als vreemde stoffen worden aangemerkt door het lichaam. Het gehalte aan transglutaminase-antistof kan met behulp van een ontlastingsonderzoek bepaald worden.
Trombocyten Trombocyten zijn de bloedplaatjes die zorgen voor de eerste fase van de bloedstolling bij een bloeding. Op de plaats van de bloeding verzamelen deze bloedplaatjes zich en worden daar ook geactiveerd. Zodoende klonteren ze samen (aggregatie) en vormen een, de plaats van bloeding afsluitende, bloedprop. De trombocyten zijn kleiner dan de rode en witte bloedcellen. Een verlaagde meetwaarde kan allerlei oorzaken hebben en is eigenlijk pas een probleem bij een bloeding. Een verhoogde waarde wordt onder andere gevonden bij infecties.
TSH Het thyroïd (schildklier) stimulerend hormoon ofwel thyrotropine (thyreotropine) is afkomstig uit de voorkwab van de hypofyse. De schildklier vervult een centrale rol in onze stofwisseling. Bij een tekort aan schildklier-hormoon (vrij T4) verlopen allerlei processen in het lichaam trager hetgeen vaak gepaard gaat met klachten zoals moeheid, traagheid, lusteloosheid, gewichtstoename en obstipatie. Een te snel werkende schildklier leidt juist tot versnelling van veel processen met gevolgen als gejaagdheid, vermagering, hartkloppingen en diarree. Bij een te snel of te traag werkende schildklier zal de hoeveelheid schildklier-hormoon te hoog, respectievelijk te laag zijn. Daarbij gaat de waarde van het TSH hormoon dat de schildklier stimuleert omlaag, respectievelijk omhoog. Veranderingen in de waarden van het TSH geven heel gevoelig aan of de schildklier te snel dan wel te traag werkt. Deze gevoelige bepaling van TSH duidt men ook wel aan met sTSH. Zie ook: T3 en T4 even hoger op deze pagina.
Tumor M2PK Tumor M2PK betekent: Tumor M2 pyruvaat kinase. Het is een metabolische merkstof voor gastro-intestinale en andere vormen van kanker. Deze test kan door het lab uitgevoerd worden.
Ureum Ureum is een eindproduct van de eiwitstofwisseling. Een verhoogd gehalte aan ureum vinden we bij een verhoogde afbraak van eiwit of een vertraagde afvoer in de nieren, een verminderde nierfunctie.
Vitamine A Vitamine A noemt men ook wel retinol. Dit vitamine is heel belangrijk voor een goed werkend immuunsysteem in het lichaam. Verder ook voor de celdeling, het zich ontwikkelen van de cellen, het gezichtsvermogen en het vormen van huid- en slijmvlies-weefsels.
Vitamine B1 Vitamine B1 is een lid van de familie van B-vitaminen (B-complex) en wordt ook thiamine genoemd. Het lichaam is niet in staat veel vitamine B1 op te slaan. Een tekort zal zich dus relatief snel kenbaar maken. De enzymen die betrokken zijn bij de stofwisseling van koolhydraten hebben de hulp (activator of cofactor) van thiamine nodig. Het lichaam heeft een hogere behoefte aan vitamine-B1 bij koorts, het geven van borstvoeding en tijdens de zwangerschap. Bij een tekort ontstaan onder andere aandoeningen in de prikkelgeleiding van de zenuwen.
Vitamine B6 Ook vitamine B6 is een lid van de groep van B-vitaminen, de termen pyridoxine en pyridoxal worden ook gebruikt. Het is een co-factor of hulpstof van talloze enzymen. Als voorbeeld de, in de cellen voorkomende, transaminasen die benodigd zijn bij het omzetten van aminozuren. Zonder vitamine B6 verlopen allerlei processen in het lichaam trager.
Vitamine B12 Vitamine B12 of cobalamine is één van de essentiële bouwstenen van bloedcellen. Het behoort tot de familie van de B-vitaminen en komt vooral voor in vlees en vis. Vitamine B12 is nodig voor de opname van foliumzuur in de cel. Dit vitamine kan nadat het gebonden is aan een eiwit - de zogenaamde intrinsieke factor - alleen in de darm worden opgenomen. Bij een tekort - wat vaak optreedt ten gevolge van een gebrek aan de intrinsieke factor - ontstaat onder andere bloedarmoede, degeneratieve verschijnselen in de hersenen en problemen van neurologische aard.
Vitamine D Vitamine D is, samen met nog een aantal andere stoffen, van belang voor de regulering van de calciumstofwisseling. Dit vitamine komt voor in onder andere boter, eieren, levertraan, melk, vlees (niet in paardevlees), vette soorten vis en enige plantaardige oliën. Onder invloed van zonlicht wordt door de huid vitamine D gemaakt. Ook aan vitamine D bestaat er voor het lichaam een grotere behoefte tijdens de zwangerschap en het geven van borstvoeding. Dit geldt ook voor oudere mensen doordat de stofwisseling duidelijk minder goed verloopt en ze soms minder vaak in de buitenlucht (zon) vertoeven. Een tekort leidt tot het verweken van bot (osteomalacie), een te laag gehalte aan calcium in het bloed (hypocalciëmie) en bij jonge kinderen tot rachitis.
Vitaminen Op de aparte pagina over verschillende vitaminen is nog wat meer te lezen.
Vrij T4 Zie: FT4 hoger op deze pagina.
ABCDEFGH I LMPRSTUV

De verschillende laboratoria hebben hun eigen minimum en maximum waarden - de referentie waarden of het referentie gebied - vastgesteld. Dit wordt veroorzaakt door de verschillen die er tussen de diverse bepalingen bestaan.
De bovenstaande tabel met termen en afkortingen die we op een of ander formulier voor het laboratorium tegen kunnen komen maakt zeker geen aanspraak op volledigheid. We zullen deze pagina in de loop van de tijd nog wel wat kunnen aanvullen, uitbreiden en misschien ook verbeteren. Kom gerust nog een keertje terug om te kijken.
Omhoog