Laboratoriumonderzoek

Bij RP Vitamino Analytic kan een behoorlijk aantal onderzoeken in het laboratorium uitgevoerd worden. Dit in Kamperland gevestigde bedrijf besteedt het merendeel van zijn tijd aan het verlenen van laboratorium onderzoek. Dit ten behoeve van complementair werkende artsen en therapeuten. Er wordt door RP Vitamino ook samengewerkt met een opleidingsinstituut voor orthomoleculaire geneeskunde, Ortho Linea. Naast andere opleidingen verzorgen ze samen een opleiding voor darmtherapeut. Een kijkje in het laboratorium

Het laboratorium biedt analyses aan op het gebied van:

  • enzymatische tests, door bemiddeling van specifieke enzymen;
  • holistische hematologie, de kennis of leer van de fysiologie en pathologie van het bloed en de bloedvormende organen;
  • microbiologie, de wetenschap van micro-organismen zoals bacteriën en schimmels;
  • multi-elementen haaranalyse, onderzoek van het haar;
  • parasitologie, de kennis van parasiterende organismen en
  • aan het immuunsysteem, het systeem van afweer, gerelateerde testen.
Deze analyses zijn in het bijzonder bedoeld voor de diagnostische vragen die gesteld worden binnen de verschillende vormen van de complementaire geneeskunde.

De onderzoeken


De onderstaande onderzoeken kunnen bij het laboratorium aangevraagd worden: Een formulier voor de aanvraag en materiaal voor afname en verzending is beschikbaar. Er is ook een andere, relatief korte, pagina met daar op een aantal aandoeningen en ziekten plus de indeling zoals het aanvraagformulier die heeft. Deze aandoeningen zijn voorzien van het (de) daarbij aanbevolen onderzoek(en) met een link naar de juiste positie op de pagina waar u zich nu bevindt.

Alfa-1 antitrypsine


alfa-1 Antitrypsine is een eiwit (proteïne) dat wordt aangemaakt door de lever. Het behoort tot de groep alfa-1-globulinen en remt trypsine en andere eiwitsplitsende en ontstekings-enzymen.

Er wordt een verhoogde waarde van dit eiwit vastgesteld bij:

  • coeliaki en een overgevoeligheid voor gluten (gluten intolerantie);
  • darmontstekingen, ook bij de ziekte van Crohn;
  • een verhoogde doordringbaarheid van het darmepitheel;
  • verschillende voedingsallergieën.
Deze test maakt het mogelijk om ontstekingen al in een heel vroeg stadium te ontdekken.

Antigliadine IgA-antistof


In gluten vinden we naast glutenine het hoogmoleculaire eiwit gliadine. Gluten komen voor in gerst, haver, rogge en tarwe. Het gliadine bezit een vergiftigende werking en veroorzaakt de spijsverteringsstoornis Coeliakie, waarbij een teruggang (atrofie) van de darmvlokken in de dunne darm bestaat. Kenmerkend bij patiënten die lijden aan coeliakie is een verhoogd gehalte aan anti-gliadine in de ontlasting.
Voor de bevestiging van dit onderzoek wordt veelal het transglutaminase-antistof onderzoek gebruikt.

Bacteriologie


Alle met ontsteking van het darmslijmvlies of enteritis in verband staande ziekte verwekkende aërobe en anaërobe kiemen kunnen in een monster ontlasting (de feces) opgespoord worden. Aëroob staat voor het afhankelijk zijn van zuurstof om te leven. Anaërobe bacteriën of kiemen zijn in staat zonder zuurstof te leven of ze kunnen zuurstof niet verdragen. De bacteriële ziekte verwekkers kunnen uitgetest worden op een ander monster.

Bèta defensin in feces


Het bèta defensin is een gedeelte van het aangeboren immuunsysteem en wordt in het lichaam aangemaakt. Deze defensins zijn antimicrobiële peptiden die een breed werkingsspectrum hebben tegen bacteriën, zowel gramnegatieve als grampositieve. Een geringe hoeveelheid van deze peptiden volstaat om bacteriën, gisten en schimmels zoals Candida albicans, protozoën zoals Giardia lamblia en virussen zoals Herpes effectief te doden. Helaas is het mechanisme waardoor micro-organismen inactief gemaakt of gedood worden nog niet geheel duidelijk.
Bèta defensin is van belang in de ondersteuning van de mucosa barrière in het darmkanaal.

Het laboratorium meet een verhoogde waarde bij:

  • inflammatoire darmziekten zoals Colitis ulcerosa;
  • het lekkende darm ofwel leaky gut syndroom en
  • patiënten met de ziekte van Crohn.
Dit ontlastingsonderzoek geeft een beeld van de activiteit in de niet-specifieke afweer van het slijmvlies.

Calprotectine


Calprotectine wordt aangemaakt door zowel granulocyten als monocyten en is een eiwit ofwel proteïne wat calcium en zink bindt. Met name granulocyten zijn betrokken bij de reacties van ontstekingen en / of tumoren in de darm, waardoor er meer calprotectine aangemaakt wordt. Wanneer er een verhoogde waarde van deze parameter of marker voor ontstekingen wordt vastgesteld kan dit worden veroorzaakt door:
  • carcinomen in de dikke darm;
  • chronische darmontsteking of
  • poliepen, zowel bloedende als niet-bloedende.
Het is zinvol om bij patiënten met darmklachten en een verdenking op darmkanker onder meer deze test op calprotectine te laten uitvoeren.

EPX in feces


Tijdens het onderzoek van ontlasting kan ook getest worden op het zogenoemde eosinofiele proteïne X ofwel afgekort tot EPX. Bij het optreden van allergische reacties en symptomen van astma spelen eosinofiele cellen een belangrijke rol.
EPX is één van de vergiftige proteïnen die in eosinofiele granulocyten aanwezig zijn en aan te tonen in zowel urine, bloed als de ontlasting. Door middel van de EPX test komt een duidelijke verwantschap met het ziekteproces aan het licht.

Een aantal mogelijkheden van de EPX test:

  • de werkzaamheid van een eliminatie-dieet bepalen;
  • bepalen hoe bij overgevoeligheid (atopie) de activiteit van ontstekingen is en de afhankelijkheid van voeding;
  • chronische ontstekingsprocessen door allergie veroorzaakt die eventueel samen gaan met een intolerantie voor voeding aantonen en
  • het opsporen van maagklachten en darmklachten ofwel gastro-intestinale klachten.
EPX is - als eosinofiele marker in de ontlasting - duidelijk beter geschikt dan de ECP test, het eosinofiele cationische proteïne.
De ontlasting mag niet afgenomen worden wanneer er zich een chronische darmontsteking voordoet, bloedende aambeien geconstateerd zijn of een zware infectie aanwezig is.

Feces programma


Dit programma bestaat eigenlijk uit een combinatie van een bepaling, onderzoeken en testen. Deze combinatie biedt een overzicht van de functie en samenstelling omtrent de inhoud van de darm. Daarnaast wordt er ook een duidelijk beeld gevormd van de kwantitatieve samenstelling betreffende de darmflora.

De menselijke darmen worden bevolkt door micro-organismen wat men de darmflora noemt. In een gezonde darm houden deze micro-organismen elkaar goed in balans. Ze voorkomen zo dat ziekteverwekkende ofwel pathogene organismen zich in de darm kunnen nestelen en ook vermenigvuldigen.

Door verschillende oorzaken kan de darmflora echter danig ontregeld raken. Met de hulp van het feces programma kunnen deze verstoringen in deze flora aan het licht worden gebracht. Er wordt hiervoor van micro-organismen - de aërobe flora, anaërobe flora en schimmels - bepaald hoe groot hun aantal is. Verder leveren deze testen ook waarden voor de consistentie en kleur van de ontlasting, de zuurgraad of pH-waarde van de ontlasting en de spijsvertering. Dit door het in de ontlasting aanwezig zijn van spiervezels, vetzepen en zetmeel.
Gecombineerd in dit programma zijn hier bacteriologisch en mycologisch onderzoek, bepaling van de pH-waarde en testen met de microscoop.

Het feces programma laten uitvoeren wordt aanbevolen bij klachten die een relatie kunnen hebben met een verstoring van de darmflora, zoals:

Aanvraagformulier en benodigd materiaal voor onderzoek van de ontlasting door het laboratorium van RP-Vitamino.
  • allergie of intolerantie, waaronder ook een lactose intolerantie;
  • een verhoogde belasting van de lever;
  • hoofdpijn die steeds weer terugkeerd;
  • hyperactiviteit (ADHD);
  • maag- en darmproblemen zoals diarree, buikkramp of winderigheid;
  • problemen met de concentratie;
  • problemen met de huid;
  • slechte opname van voedingsstoffen en tekorten aan bijvoorbeeld mineralen;
  • stoornissen in de stofwisseling, in het bijzonder die van suiker;
  • verlaagde afweer of immuniteit en steeds weer terugkerende infecties of
  • vermoeidheid, die al dan niet chronisch is.

Het ontlasting (feces) programma bestaat uit de volgende onderdelen:


• Aërobe en anaërobe bacteriële flora:
Tijdens deze test kijkt men naar het aanwezig zijn van:
  • residente - zoals Escherichia coli of E.coli en Enterococcus species - en transiënte aërobe flora. Dus de bacteriën die voor hun groei aangewezen zijn op de aanwezigheid van zuurstof;
  • residente en transiënte anaërobe flora zoals Bifidobacterium en Bacteroïdes. Hier de bacteriën die alleen kunnen gedijen bij de afwezigheid van zuurstof;
  • micro-aërofiele residente flora, zoals Lactobacillus sp., die een zuurstofarme omgeving vereisen en
  • Clostridium difficile, Enterobacteriaceae, Pseudomonas species, Salmonella species en Shigella.
De zo even genoemde Enterobacteriaceae komen in de darm voor als transiënte bacteriën en bestaan hier uit Citrobacter, Enterobacter, Klebsiella en Serratia.

Residente - de normaal in de darm voorkomende - bacteriën verhinderen dat andere, misschien wel schadelijke, micro-organismen zich kunnen vestigen. Van belang is ook hun deelname aan de stofwisseling van het darmslijmvlies. De transiënte flora bestaat daarentegen uit tijdelijke micro-organismen zoals schimmels.
Een aantal darmbacteriën - zoals Bifidobacteriën en E.coli - maken een viertal B-vitaminen, biotine, foliumzuur, niacine en pantotheenzuur aan.
• Mycologisch onderzoek:
Lager op deze pagina staat een stukje over het mycologisch onderzoek.
• pH waarde [ 1 ] bepalen:
De zuurgraad of pH-waarde van het monster ontlasting wordt bepaald. Deze waarde geeft zicht op de stofwisselingsprocessen in de darm. Een hoger dan normale waarde geeft een overgroei van aërobe bacteriën, vooral Enterococcen en Enterobacteriën, aan. Een verlaagde waarde is een indicatie voor een te grote productie van vrije vetzuren. Dit geldt vooral voor de anaërobe bacteriën zoals Bifidusbacterium en Bacteroïdes species.
• Microscopische testen:
Wanneer er een verstoorde vetvertering lijkt te bestaan is een microscopische inspectie van de ontlasting (feces of faeces) zinvol. In het laboratorium heeft men dan aandacht voor de vetten, vezels en het zetmeel.
Ook met de microscoop wordt er gekeken naar:
  • Entamoeba coli;
  • Blastocystis hominis en
  • wormen en ovariën ofwel wormeitjes.
Deze test is ook inzetbaar als biomarker voor het controleren van het effect wat het volgen van een dieet oplevert.

Het Feces programma blijkt een zeer waardevolle hulp bij het diagnosticeren van een groot aantal ziekten en aandoeningen.

Galzuren


Galzuren worden in de lever door de levercellen aangemaakt uit cholesterol (cholesterine) en tussen de maaltijden door, in een dan ingedikte vorm, opgeslagen in de galblaas. Deze zuren houden het cholesterol van de gal in oplossing. In het geval van een verstoorde verhouding tussen het cholesterol, de fosfolipiden en de galzuren in de galblaas kunnen er dan galstenen ontstaan. De galzuren bevorderen de vertering en het emulgeren van vetten (of lipiden) in de dunne darm, verhogen de oplosbaarheid van cholesterol en de in vet oplosbare vitaminen. Deze zuren vormen een belangrijk deel van de stoffen waaruit de, groengeel gekleurde, gal bestaat.

De verschillende zuren zijn:

  • chenodesoxycholzuur (chenodesoxycholaat, een primair galzuur);
  • cholzuur (cholaat, een primair galzuur);
  • desoxycholzuur (desoxycholaat);
  • glycocholzuur (glycocholaat) en
  • taurocholzuur (taurocholaat).
De zouten van de galzuren - de galzure zouten of galzouten (cholaat) - emulgeren cholesterol, fosfolipiden (o.a. lecithine), monoglyceriden en vetzuren in de dunne darm en worden hier ook weer opgenomen. Na opname (dit is terugresorptie) in het laatste deel van de dunne darm, de kronkeldarm of ileum, komen deze galzouten vervolgens in de lever en worden dan weer in de gal uitgescheiden. Dit circuleren van galzouten (lever-darm-lever), het gebeurt ongeveer 8 tot 12 maal per etmaal, noemt men de enterohepatische kringloop.

De dikke darm ontvangt tijdens elke kringloop een geringe hoeveelheid, dit is ongeveer 5 tot 10%, aan galzouten vanuit de dunne darm. Verschillende bacteriën in de darm hebben als taak deze zouten af te breken (dehydroxylering). Een deel van deze afbraakproducten wordt weer in de dikke darm opgenomen, de rest (circa 2%) wordt met de ontlasting (feces) afgevoerd. Deze 2% zal met minder dan 1 gram galzouten in de ontlasting overeenkomen.

Testen op de aanwezige galzuren kan gebeuren naar aanleiding van een aantal lichamelijke symptomen, zoals:

  • chronische darmontstekingen zoals Colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn;
  • het prikkelbaar-darmsyndroom ofwel IBS;
  • verstoorde vetvertering en / of absorptie;
  • galstenen die weer terugkeren (recidief) of
  • operatieve verwijdering van de kronkeldarm (ileum), laatste deel van de dunne darm.
Een lager gehalte aan galzuren en vetzuren lijkt samen te gaan met een lager risico op kanker in de dikke darm ofwel colonrectale kanker. De hoeveelheid galzuren in de ontlasting kan door een test in het laboratorium bepaald worden.

Helicobacter pylori


De bacterie Helicobacter pylori (afgekort tot: Hp) is in Nederland bij ongeveer een kwart van de volwassen personen aanwezig en werd voorheen de Campylobacter pylori genoemd. Deze gramnegatieve bacterie blijkt verantwoordelijk te zijn voor het optreden van chronische actieve Afbeelding van de Helicobacter pylori bacterie.ontsteking van de maagwand (gastritis), darmzweren (in duodenum) en maagzweren (ulcera). Deze ziekte verwekkende (pathogene) bacterie kan maagkanker (een carcinoom) of maaglymfoom tot ontwikkeling brengen.
Uit een onderzoek van patiënten die een huisarts bezochten met gastro-enteritis klachten - dit werd uitgevoerd in 2002 - bleek Campylobacter de meest voorkomende ziekteverwekker te zijn.
Het lichamelijk onderzoek wordt veelal uitgevoerd met een gastroscoop (gastroscopie), endoscoop of oesofagogastroduodenoscopie en wordt vaak bepaald niet als prettig ondervonden (het onderzoek is invasief).

De Helicobacter kan echter ook op een veel vriendelijker manier vastgesteld worden; met een kweek, antilichamen of een ademtest. Zie ook de waterstof ademtest lager op deze pagina.

Hemoglobine-haptoglobine-complex


Hemoglobine, de ijzerhoudende rode kleurstof in de rode bloedcellen of erytrocyten, heeft als belangrijkste taak het transporteren van zuurstof van de longen naar de verschillende weefsels in het lichaam. Haptoglobine - eveneens een serumeiwit - kan vrij hemoglobine wat zich in het bloedplasma bevindt aan zich binden, dit is een normale situatie.

In de ontlasting (feces) kan hemoglobine aangetoond worden als er sprake is van bloedende goedaardige gezwellen (poliepen) of kwaadaardige gezwellen (carcinomen) in het lichaam. Bij dit onderzoek wordt er gezocht naar spoortjes bloed in de ontlasting.

Onderzoeken hebben duidelijk aangetoond dat hemoglobine die aan haptoglobine gebonden is minder snel wordt afgebroken. Om tijdig bloedende poliepen en tumoren op te sporen geeft deze complex-meting een betrouwbaar beeld (het caecum of blinde darm en colon ascendens ofwel het opstijgende deel van de darm).
Deze test detecteert een hoger aantal progressieve poliepen binnen de endeldarm (het colon rectum) dan wanneer er alleen op hemoglobine getest zou worden.

Intestinale flora


Tijdens dit screeningsonderzoek wordt:
  • de pH-waarde [ 1 ] bepaald;
  • een microscopische inspectie op de spijsvertering uitgevoerd;
  • en gekeken naar de aanwezigheid van de:

    • aërobe residente en transiënte flora;
    • anaërobe residente en transiënte flora en
    • micro-aërofiele residente flora.
De flora die resident is bestaat uit een grote bacteriële flora die normaal op de slijmvliezen van onder andere de darm voorkomt. Deze flora verhindert het op die plaats nestelen van diverse schadelijke organismen. Men noemt dit ook wel kolonisatie-resistent. In de plaats van resident wordt ook wel obligaat gebruikt, wat hier inhoudelijk hetzelfde is. Transiënt kunnen we hier als tijdelijk of voorbijgaand beschouwen.
Meer informatie over de verschillende bovengenoemde onderdelen van dit Intestinale flora onderzoek vindt u bij het Feces programma.

Lactoferrine


Het eiwit ofwel proteïne lactoferrine bezit antimicrobiële eigenschappen zodat het de groei van bacteriën remt. Elk molecuul van dit glycoproteïne kan twee atomen ijzer binden en tevens transporteren. Micro-organismen zijn voor hun groei aangewezen op ijzer. De ijzerbinding van lactoferrine blijkt niet afhankelijk van een bepaalde zuurgraad (pH) te zijn zodat het in zowel de maag als de darm werkzaam kan zijn.

Positieve effecten van lactoferrine, door de anti-bacteriële, anti-parasitaire en anti-virale werking zijn beschreven bij onder andere:

Het ontstekingsremmende lactoferrine remt ziekteverwekkers (pathogenen) en activeert ook andere enzymen om de restanten van pathogenen op te ruimen. Humane melk of moedermelk bevat veel meer lactoferrine dan koemelk en paardenmelk. Lactoferrine heeft een relatie met ontstekingen in de darm. Het wordt in hoge concentraties gevonden in met ontsteking gepaard gaande (inflammatoire) cellen zoals polymorfonucleaire (PMN) neutrofiele granulocyten ofwel neutrofielen. Bij ontstekingen in het darmkanaal (intestinaal) infiltreren deze neutrofielen in het slijmvlies (de mucosa) en verhogen zo de lactoferrine in de ontlasting (fecaal).

De waarde van dit eiwit kan aan de hand van een onderzoek van de ontlasting (feces) door het laboratorium bepaald worden. Bij immuun-deficiëntie en ontstekingen maakt deze bepaling zwakte in de afweer inzichtelijk en geeft een duidelijker beeld voor een te volgen therapie. De onderzoeken naar PMN elastase en lactoferrine bevestigen elkaar.

Lysozym


Lysozym wordt ook muramidase genoemd, het werd in 1922 door Fleming geïdentificeerd. Het is een enzym dat een oplossende of lyserende (lysis) werking op de beschermende celwand van bepaalde bacteriën heeft en zodoende de kans op infecties en ontstekingen verkleint. Met deze bacteriolytische (antimicrobieel) eigenschap kan lysozym een rol spelen in de darmflora en het handhaven van de immuunrespons in het lichaam.

Het enzym wordt, naast melk en het wit van een ei, in bijna alle levend weefsel aangetroffen. Paardenmelk bevat meer lysozym dan humane melk en veel meer dan er in koemelk wordt aangetroffen. Lysozym wordt door macrofagen, monocyten en neutrofiele granulocyten of neutrofielen gevormd.

Lysozymen worden verhoogd vastgesteld bij:

  • chronische ontstekingen;
  • darmziekten die met ontstekingen gepaard gaan (inflammatoir);
  • dikke darmkanker;
  • PDS ofwel het prikkelbare darm syndroom of de
  • ziekte van Crohn.
Door het laboratorium kan het bloedserum of de ontlasting (de feces) op dit enzym onderzocht worden. De lysozymen waarde hangt samen (correlleert) met de ernst van de aandoening of ziekte. De lysozymen in de ontlasting (fecale) kunnen dus dienen als belangrijk instrument bij diagnose - als een merker voor ontstekingen - en in de voortgezette observatie bij mensen met onduidelijke klachten van de maag of het darmkanaal (gastro-enterologisch).

Metabolische disfunctie test uit urine, indican en skatol


Metabolisch staat voor: tot het metabolisme of de stofwisseling behorend. Indican of indicaan is het kaliumzout van indoxylzwavelzuur. Het ontstaat uit tryptofaan door rotting in de darm.
De zogenoemde UriColor test baseert zich op kleurreactie van grensvlakken tussen stoffen in de inhoud van urine en een mengsel van salpeterzuur. Er worden hierdoor diverse eenduidige kleurreacties in ringvorm zichtbaar. Een net ontstane stoornis in de stofwisseling en storingen van functionele aard worden door deze ringvormige kleuring aangegeven.

Met deze urinetest worden de afvalstoffen indican en skatol opgespoord. Deze twee stoffen worden in de urine gevonden wanneer bacteriën in de darmen het aminozuur tryptofaan niet voldoende afbreken.

Een verhoogde waarde van deze beide afbraakproducten kan een aanwijzing zijn voor:

  • een galstoornis;
  • een nierstoornis;
  • de stofwisselingsziekte fenylketonurie of PKU;
  • een stoornis in de leverfunctie;
  • witte vloed of afvloed van een abnormale hoeveelheid vocht uit de vagina (fluor albus);
  • multipel myeloom (Plasmozytom);
  • nierstenen;
  • problemen met de blaas of
  • rotting veroorzakende darmflora en dus een dysbiose (SBOG-syndroom). Dit proces kan een potentiële veroorzaker van carcinomen zijn.
Voeding waar veel tryptofaan in zit (veel vlees) kan de gemeten waarden van indican en skatol ook verhogen.
Deze test is zeer geschikt om de vanuit de dunne darm ontstane stoornissen aan het licht te brengen. Er ontstaat een duidelijk beeld van een dunne darm geassocieerde dysbiose.

Multi-elementen analyse uit haar


Veel processen in het lichaam zijn aangewezen op een voldoende hoeveelheid en tevens juiste verhouding of ratio van elementen en spoorelementen. Een tekort aan een element of meerdere elementen zal soms tamelijk snel of vaker op de langere termijn tot klachten of ziekte leiden.
De haarmineraal-analyse blijkt hierbij een uitstekend diagnostisch hulpmiddel tot het opsporen van disbalansen in de cellulaire stofwisseling. De concentratie van deze elementen blijkt in het haar veel groter dan in bloed te zijn.
Voor het verloop van een ziekte ofwel aandoening zijn vooral de optredende wisselwerkingen tussen essentiële en accidentiële spoorelementen of elementen van grote betekenis. Het behandelen van een patiënt kan beter en sneller gebeuren door begrip van deze reeds eerder genoemde wisselwerkingen.

In verband met het laten uitvoeren van deze haaranalyse denk je eigenlijk als eerste aan het preventief opsporen van een tekort of tekorten aan, dan wel teveel van, één of meerdere van deze elementen in het lichaam.

Deze analyse kan tevens worden aanbevolen bij onder andere:

  • ADHD;
  • allergische (overgevoelige) en reumatische aandoeningen;
  • chronische afweer of immuunsysteem problemen;
  • chronische vermoeidheid;
  • een algehele gezondheid die verre van optimaal is;
  • haaruitval en huidaandoeningen;
  • het effect van een voedingssupplement met elementen bepalen;
  • metaalbelasting als gevolg van tandvullingen of uit het milieu;
  • psychische vraagstellingen;
  • therapie resistentie;
  • vage klachten zoals hoofdpijn en vermoeidheid;
  • verbetering van de gezondheid en prestaties (sport) of
  • verschijnselen van overbelasting door giftige (toxische) stoffen.
De onderstaande elementen - het zijn er totaal 39 - kunnen met behulp van de multi-elementen haaranalyse, gebruikt wordt de zogenoemde ICPMS, bepaald worden:
  • aluminium, antimoon, arsenicum, barium, beryllium;
  • bismut, borium, cadmium, calcium, chroom, fosfor;
  • germanium, ijzer, jodium, kalium, kobalt, koper, kwik;
  • lithium, lood, magnesium, mangaan, molybdeen, natrium;
  • nikkel, platina, rubidium, seleen of selenium, strontium, thallium;
  • thorium, tin, titanium, uranium, vanadium;
  • zilver, zink, zirkonium en zwavel.
Een aantal van deze (spoor)elementen zoals aluminium, cadmium, kwik, lood, nikkel en zilver zijn toxisch ofwel giftig.
De Engelse afkorting ICPMS staat voor: inductief gekoppeld plasma massa spectrometrie.

Mycologie


De term mycologie staat voor de leer of kennis van de schimmels. Het hier op zichzelf staande mycologisch onderzoek is ook een onderdeel van het Feces programma. Er wordt voor deze test een kwantitatieve detectie en differentiatie van gisten en schimmels uitgevoerd. Dit is zeker de aangewezen test wanneer er een verdenking op verschillende gastro-intestinale en daarvan afgeleide, aan het immuunsysteem gerelateerde, aandoeningen bestaat.

Er kan gestest worden op de volgende gisten en schimmels:

  • Aspergillus fumigatus en Aspergillus niger;
  • Candida albicans en Candida glabrata;
  • Candida krusei en Candida parapsilosis;
  • Candida tropicalis;
  • Geotrichum candium en Rhodotorula rubra;
  • Mucor species en verder op
  • Candida species, Aspergillus species en andere schimmels.
Gemeten waarden van gisten en/of schimmels in de darm die een verhoogde waarde tonen zijn altijd een teken van intestinale verstoring van het evenwicht ofwel dysbiose. De mycologie test geeft echter geen uitsluitsel over het feit of het aanwezig zijn van de gedetecteerde gisten en schimmels de oorzaak dan wel het gevolg van een aandoening is. Er is hiervoor aanvullend onderzoek noodzakelijk zoals de Virulente factoren.

Bij vrouwen kan met name het onderzoek naar de Vaginale flora van belang zijn. Dit vanwege de kans op besmetting van het monster met ontlasting, vanuit de vagina, uit te sluiten.

Occult bloedverlies


In een gezonde portie ontlasting bevindt zich normaliter geen of slechts weinig bloed. Deze test toont aan of er in de ontlasting sporen van bloed te vinden zijn. Deze zijn voor het blote oog onzichtbaar, occult betekent verborgen. Een te hoge waarde van de concentratie bloed in de ontlasting is een aanwijzing voor bloedende intestinale beschadigingen of laesies.

Deze laesies kunnen worden veroorzaakt door:

  • aambeien;
  • afwijkingen van anatomische aard;
  • maagzweren of zweren in de darm;
  • mechanische schade opgelopen door bijvoorbeeld chronische constipatie;
  • poliepen;
  • tumoren of de
  • ziekte van Crohn.
Door passerende ontlasting kan alles wat uitsteekt in de darmwand bloedingen veroorzaken. Er is gebleken dat een verhoogde zuurgraad (pH-waarde) van de ontlasting gepaard gaat aan een verhoogde neiging tot bloedingen.
Deze test op bloedverlies kan slechts betrouwbaar geïnterpreteerd worden wanneer ten minste drie opeenvolgende monsters ontlasting positief zijn getest. De patiënt, waarvan de ontlasting ingezonden wordt naar het laboratorium, dient gedurende drie voorafgaande dagen geen vlees te eten.

Pancreas elastase


Pancreas elastase 1 is een enzym dat eiwit (proteïne) afbreekt en alleen door de acinuscellen in de alvleesklier of pancreas wordt aangemaakt. Het enzym kan in de feces of ontlasting worden aangetoond omdat het onbeschadigd door de darmen komt.

Deze test wordt uitgevoerd om vast te stellen of er sprake is van een excretoire pancreas-insufficiëntie. Dit is de sterkste, niet invasieve, methode om de pancreas te onderzoeken. De specificiteit is 96% en de sensitiviteit ligt op 97%. Een voordeel is dat pancreas-elastase niet beïnvloed wordt door een suppletie van enzymatische substanties.

Symptomen die aanleiding geven deze test te laten uitvoeren zijn:

  • chronische ontsteking van de pancreas ofwel pancreatitis;
  • diabetes, exocriene verstoringen gaan meestal gepaard met endocriene;
  • spijsverteringsstoornissen;
  • vage klachten in de bovenbuik en
  • problemen met de immuniteit, want lichte vormen van een excretoire insufficiëntie van de pancreas kunnen een zinkgebrek tot gevolg hebben.
Een verlaagde waarde van deze test duidt er op dat nutriënten, in het bijzonder vitaminen en sporenelementen, onvoldoende worden opgenomen door het lichaam.

Parasitologie


Verschillende vage lichamelijke klachten kunnen door parasieten veroorzaakt worden. Voor het opsporen daarvan kan het parasitologisch onderzoek van groot nut zijn.

Bij dit onderzoek wordt getest op de volgende parasieten:

  • Blastocystis hominis, een gistachtig micro-organisme.
  • Cryptosporidium, veroorzaakt ontsteking van het darmslijmvlies met buikkrampen en vaak hardnekkige waterige diarree. Dit vooral bij personen met een niet goed functionerend immuunsysteem.
  • Entamoeba, verschillende vertegenwoordigers van dit geslacht vinden we bij de mens parasiterend in de dikke darm. Entamoeba histolytica is er één van.
  • Giardia lamblia, vroeger Giardia intestinalis en Lamblia intestinalis geheten. Dit lid van de familie der flagellaten is heel besmettelijk en nestelt zich in de dunne darm. Knap lastig, vanwege het feit dat juist hier ons voedsel wordt opgenomen. De infectie wordt giardiasis of lambliasis genoemd. Diarree komt het meest vaak voor, met als gevolg een verzwakte patiënt.
    Het ontlastingsonderzoek moet veelal enige keren uitgevoerd worden, de cysten worden niet continu uitgescheiden zodat de diagnose kan worden gemist.

    Bij kinderen die besmet zijn door Giardia kan deze parasiet:

    • bloedarmoede (anemie);
    • chronische buikklachten;
    • glutenintolerantie;
    • groeiachterstand;
    • melkallergie of
    • vermoeidheid veroorzaken.
    Kinderen raken over het algemeen vaker besmet dan volwassenen (misschien een rijper immuunsysteem?). Verder is het ook nog zo dat kinderen elkaar gemakkelijk besmetten.
Parasieten veroorzaken veelal ontstekingen die van chronische aard zijn en grijpen in op de stofwisseling (het metabolisme) van de gastheer of gastvrouw. Deze beesten kunnen tevens wanneer er sprake is van een ontregelde flora in de darm en verstoorde barrièreresistentie een sterk ziekte verwekkend (pathogeen) potentiaal ontwikkelen.

PMN elastase


Polymorfe neutrofiele (PMN) leukocyte elastase is een serine-eiwit dat bij hevige ontsteking een prognose biedt. Het wordt door granulocyten aangemaakt en denatureerd eiwitten die vreemd zijn voor het lichaam of breekt deze eiwitten af. Dit eiwit wordt afgegeven bij enteritiden die van granulocyten afhankelijk zijn en / of door een verhoogde opname en vernietiging van de in het lichaam binnengedrongen (exogene) bacteriën en virusdeeltjes (fagocytose).

Een verhoogde waarde duidt op een al dan niet chronische ontsteking. Bij Colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn wordt ook een verhoogde waarde van de PMN elastase gemeten. Dit onderzoek blijkt ook zeer geschikt voor patiënten waarbij een chronische aandoening reeds vastgesteld is om zodoende te controleren of een lopende therapie nog stabiel is.
De onderzoeken naar PMN elastase en lactoferrine bevestigen elkaar.

Secretoir IgA of sIgA


Secretoir betekent met betrekking tot secretie ofwel afscheiding. De stof die dan afgescheiden wordt heet een secreet of secretum. Immunoglobuline klasse A (IgA) is vooral van belang voor de immunologische afweer op het oppervlak van slijmvliezen in het lichaam.
Dit globuline vinden we onder andere in het bloed (serum) en secreten van de luchtwegen en vooral de darm. sIgA dient als neutraliserende antistof tegen diverse micro-organismen zoals bacteriën, toxinen en virussen.
Dit in het laboratorium uitgevoerde onderzoek geeft duidelijkheid over de functie van het met de darm geassocieerde immuunsysteem.

Een te lage sIgA waarde wijst op:

  • gevoeligheid van de slijmvliezen voor infecties;
  • overgevoeligheden of atopieën;
  • auto-immuunziekten;
  • met nieuwvorming gepaard gaande of neoplastische ziekten of
  • chronische aandoeningen aan de darm zoals Colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn.
De sIgA antilichamen worden, door een binding aan cysteïne-resten van het mucus, een vast bestanddeel van het niet-beweeglijke slijmvlies.
Dit onderzoek is, bij elke aan het immuunsysteem gerelateerde vraagstelling, zeer zinvol en kan met een fecesonderzoek aangevraagd worden.

Transglutaminase antistof


Darmweefsel maakt het enzym transglutaminase aan. De stabiliteit van het weefsel wordt door dit enzym verzorgt doordat het bindingen tussen eiwitten op gang brengt. Transglutaminase komt vrij wanneer, zoals dat bij Coeliakie het geval is, weefsel wordt beschadigd. Er kunnen dan bindingen tussen gliadine - één van de eiwitten waar gluten uit bestaan - veroorzaakt worden of zichzelf met gliadine verbinden. Zodoende ontstaan er eiwit verbindingen die door het lichaam als vreemde stoffen of antigenen worden herkend. Het gevolg is dan het op gang brengen van de productie van antistoffen.

Voor mensen met Coeliakie is een verhoogd gehalte aan de transglutaminase-antistof in de ontlasting een typisch verschijnsel. Dit onderzoek naar deze antistof wordt veelal ook ter bevestiging van een verhoogd gehalte aan antigliadine ingezet.

Tumor M2PK


Tumor M2PK staat voor: Tumor M2 pyruvaat kinase. Het is een metabolische marker voor gastro-intestinale en andere vormen van kanker.
Om, bloedende en niet-bloedende, carcinomen in de dikke darm te kunnen ontdekken is deze moderne vorm van tumordiagnostiek ontwikkeld. Bij deze methode wordt er gekeken naar het aanwezig zijn van een enzym dat altijd wordt afgegeven door de tumor.

Een bij dit onderzoek optredende te hoge waarde kan wijzen op:

  • een carcinoom dat zich in de dikke darm bevindt of
  • een al dan niet chronische darmontsteking.
Het is dan dringend aan te raden door te verwijzen naar een specialist voor een colon-rectaal onderzoek. Het vroegtijdig ontdekken én behandelen van dikke darmkanker blijkt een grote kans op al dan niet volledige genezing te kunnen geven.

Vaginale flora


Dit onderzoek biedt een overzicht van de samenstelling van de vaginale flora. Het geeft tevens een duidelijk beeld van de kwantitatieve samenstelling die de flora in de vagina heeft.

Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van een combinatie van:

  • bacteriologische;
  • mycologische en
  • pH-testen.
De zuurgraad of pH-waarde in de vagina - 3,8 tot 4,5 - is indicatief voor de beoordeling van de stofwisselingsprocessen die zich binnen de vaginale flora afspelen. Een verhoogde waarde - de pH is groter dan 4,5 - geeft een overgroei aan van (potentieel) afwijkende pathologische of ziekteverwekkende micro-organismen. Een verlaagde waarde geeft een overproductie van vrije vetzuren aan, vooral van de micro-aërofiele bacteriën (Lactobacillen).

Voor het bepalen van de vaginale zuurgraad (pH) levert men een speciale handschoen, na het aanvragen van een testset voor de vaginale flora, in de testset mee.
Elders op deze pagina vindt u uitleg over de Mycologie.

Virulente factoren


Virulent staat hier voor aanvalskracht, giftig, infectieus of kwaadaardig. Het vermogen van een micro-organisme om weefsel te beschadigen of de strijd aan te gaan met de verschillende flora in het lichaam. Zo'n organisme probeert de mechanismen die bedoeld zijn ter verdediging van de gastheer of gastvrouw - in de vorm van het immuunsysteem - te verslaan. In ieder geval een ziekte verwekkend wanneer het daar in slaagt.

Tijdens het uitvoeren van deze test wordt er bekeken in hoeverre de darmflora, vaginale flora of gedetecteerde potentiële ziekteverwekkers bij de te testen persoon in staat zijn om schadelijke effecten uit te oefenen. Dit onderzoek is van belang bij chronische ziekten en steeds opnieuw optredende verschijnselen van een aandoening terwijl deze reeds genezen leek (recidief). Virulente factoren komen in een gezonde en daarmee evenwichtige darmflora niet voor.

Er wordt getest op de volgende factoren:

  • coagulase, een de bloedstolling versnellend enzym;
  • gelatinase, een enzym dat gelatine doet vervloeien en in zowel bacteriën als schimmels voorkomt;
  • hemolyse, ook bacteriën kunnen verantwoordelijk zijn voor de bloedontleding of het afbreken van erytrocyten (rode bloedlichaampjes);
  • katalase, een omzettend enzym wat een rol speelt bij het beschermen van cellen tegen vrije radicalen en
  • urease, een enzym dat tot de amidasen of amide splitsende enzymen behoort. Het breekt ureum - een afvalproduct van de eiwitstofwisseling - af.
Een te hoge waarde van één of meerdere van deze factoren geeft altijd een indicatie voor een functioneel ongezonde darm (dysbiose).

Waterstofademtest


Deze test verschaft duidelijke informatie over het functioneren van de darm. Met name over de mogelijkheid om suikers uit het voedsel op te nemen. Een klein aantal indicaties voor het laten uitvoeren van deze waterstofademtest (H2 ademtest) zijn:
  • allergie;
  • buikpijn en een opgezette buik;
  • diarree;
  • opgeblazen gevoel;
  • problemen met de spijsvertering of
  • verdenking van een lactose-intolerantie.
Hier volgt nog een toelichting op de waterstofademtest: voeding, lactose, bacteriën in de darm, gassen door gisting en het onderzoek zelf.

• Voeding:

Het in de mond reeds fijngekauwde voedsel komt via de slokdarm in de maag en vervolgens in de dunne darm terecht. In dit eerste gedeelte van de darm vindt de opname van nuttige stoffen plaats. Dat deel van de zich verplaatsende voedselbrei wat niet meer gebruikt kan worden komt vervolgens in de dikke darm terecht. De brei wordt in dit deel van de darm, door het onttrekken van vloeistof, ingedikt en zal vervolgens als ontlasting het lichaam verlaten.

• Lactose:

Lactose ofwel melksuiker kan niet zonder meer worden opgenomen. Het moet eerst door het enzym lactase in het darmsap worden omgezet in de enkelvoudige (mono) sachariden glucose en galactose. Wanneer deze omzetting of splitsing een onvoldoend goed verloop heeft kan de melksuiker niet volledig in de dunne darm worden opgenomen zodat deze in de dikke darm terecht komt.
Dit onvermogen kan ontstaan door een aangetaste darmwand maar is daarnaast ook een veel voorkomende ontwikkeling. Na de eerste levensjaren vermindert de productie van lactase bij veel mensen. Het gevolg hiervan: meer melksuiker wat in de dikke darm geraakt. Dit kan soms ook bij andere soorten suiker optreden.

• Bacteriën:

Verschillende nuttige bacteriën bevolken de dikke darm. Deze zorgen voor een vergisting van suikers, zetmeel en (een deel van de) voedingsvezels. Tijdens deze gisting worden er vetzuren met korte keten en gassen gevormd. Wanneer er dus in de dikke darm teveel suikers worden vergist kan dat de al eerder genoemde klachten zoals buikpijn, diarree, een opgezette buik of winderigheid veroorzaken.

• Gassen:

Waterstofgas is één van de gassen die uit de al eerder genoemde gisting vrijkomt. Dit gas komt snel, via de darmwand, in het bloed terecht en wordt daarna dan door de longen uitgeademd. Een goede maat voor het functioneren van de spijsvertering in de dunne darm is zodoende de hoeveelheid van het door de longen uitgeademde waterstofgas.

• Het onderzoek met de ademtest:

De waterstofademtest zal ruim drie uur in beslag nemen. Aan de test voorafgaand wordt er een ademmonster genomen zodat er dan een referentie waarde bekend is. Daartoe moet er in een buisje geblazen worden. De persoon die getest wordt drinkt daarna melksuiker wat in water is opgelost. Nadat deze oplossing is opgedronken wordt er nog eens 4 keer een monster met de hoeveelheid waterstof in de adem gemeten. Voorafgaand aan en tijdens deze testen mag er geen eten en drinken genuttigd worden en moet men zo ontspannen blijven als mogelijk is. Dit onderzoek samen met een handleiding kan apart aangevraagd worden.


Voor de inhoud van deze pagina is naast eigen onderzoek natuurlijk ook gebruik gemaakt van documentatie van RP Vitamino.
Niet alle hierboven genoemde onderzoeken worden door de verschillende zorgverzekeringen vergoed. Wanneer er wel wordt vergoed is dit meestal een gedeelte van de kosten. Verder is dit natuurlijk afhankelijk van de verzekeringspolis en de eventuele aanvullende polissen.
Voor deze onderzoeken is er naast een aanvraagformulier ook materiaal voor de afname en het verzenden beschikbaar.
Voetnoot:
[1] De pH-waarde of zuurgraad van de ontlasting (feces) gaat vanaf de peuterleeftijd, via de volwassen leeftijd, steeds verder in getal omhoog. De maximale waarde wordt bereikt op de leeftijd van senioren of ouderen. Bij peuters tot en met de volwassenen is de ontlasting zuur en bij ouderen licht alkalisch.