|
|
| Voorvoegsel: |
Verklaring en voorbeeld: |
|
|
| a- |
Zonder, geen, on- of niet. Voorbeeld: achromatisch, zonder kleurfouten of niet kleurbaar zijn. Dit in tegenstelling tot chromatisch of gekleurd. |
| ab- |
Weg van, van ... af. Voorbeeld: abduceren, een beweging vanaf de middellijn. |
| abdomino- |
Gerelateerd aan de abdomen, ofwel de buik. Voorbeeld: abdominoplastiek of buikwandplastiek. Deze plastiek of vormkunst dient ter versteviging van een defect dan wel een uitgerekte en/of zwakke plek in de buikwand. De aanleiding hiertoe kan een breuk of de zwangerschap zijn. |
| adeno- |
Met betrekking tot een klier of klieren. Voorbeeld: adenopathie, een aandoening van klieren of lymfeklieren. |
| aëro- of aero- |
Lucht. Voorbeeld: aërometer, een toestel wat de dichtheid en het gewicht van lucht kan bepalen. |
| allo- |
Afwijkend, anders of vreemd. Voorbeeld: allokinetisch, de onwillekeurige beweging van een arm of been terwijl de andere arm of been juist willekeurig bewogen wordt. |
| ambi- |
Beide of aan dan wel naar beide zijden. Voorbeeld: ambivalentie, dubbelwaardigheid of het gelijktijdig optreden van gevoelens die tegengesteld zijn. |
| amfi- of amphi- |
Dubbel of aan beide zijden. Voorbeeld 1: amfibiose, de eigenschap van een micro-organisme om zich als een parasiet en als een symbiont te kunnen gedragen. Voorbeeld 2: Amphitricha, micro-organismen met aan beide einden een flagel of zweepdraad. |
| an- |
Zonder, geen of afwezigheid van. Voorbeeld: anaëroben, dit zijn aëroben of bacteriën zie zonder zuurstof kunnen leven. |
| andro- |
Met betrekking tot de man of mannelijk. Voorbeeld: andrologie, de wetenschap van de mannelijke geslachtsorganen en de ziekten daarvan. |
| angio- |
Duidt een vat, meestal een bloedvat, aan. Voorbeeld: angiogenese, de groei en vorming van nieuwe bloedvaten. |
| aniso- |
Ongelijk of ongelijkheid. Voorbeeld: anisomastie, ongelijke grootte van de borsten. |
| ant- of anti- |
Met tegen als betekenis. Voorbeeld 1: antafrodisiacum, een middel om de geslachtsdrift te remmen. Dit in tegenstelling tot een afrodisiacum, wat opwekkend werkt. Voorbeeld 2: antibacterieel, tegen bacteriën gericht. |
| ante- |
Vóór of naar voren. Voorbeeld: antenataal, vóór de geboorte. |
| apo- |
Afkomstig van, vanaf, vandaan, weg van, scheiding of afscheiding. Voorbeeld: apoptose, het normale uiteenvallen en opruimen van cellen door verjonging van weefsel. |
| arterio- |
Met betrekking tot een ader of slagader. Voorbeeld: arteriosclerose, een verharding van het weefsel waaruit de wand der slagaders bestaat (men noemt het meestal slagaderverkalking). |
artr-, arthr-, artro- of arthro- |
Met betrekking tot een gewricht. Voorbeeld 1: artritis of arthritis, ontsteking van een gewricht (gewrichtsontsteking). Voorbeeld 2: artropathie, een algemeen gebruikelijke term voor ziekte aan een gewricht (gewrichtsziekte). Voorbeeld 3: arthrogryposis, een blijvende verkromming van een gewricht. |
| athero- |
Aandoeningen waarbij vet een rol speelt. Voorbeeld: atherosclerose, een zeer veel voorkomende ziekte waarbij diverse vetachtige substanties zich ophopen aan de binnenwand van een slagader. |
| audi- of audio- |
Met betrekking tot het gehoor. Voorbeeld 1: audicien, een leverancier van gehoorapparaten of hoortoestellen. Voorbeeld 2: audiologie, de wetenschap van het gehoor en de afwijkingen die daar aan kunnen optreden. |
| auto- |
Op zichzelf gericht of tot het eigen lichaam behorend. Voorbeeld: autolyse, zelfoplossing of zelfvertering door de eigen enzymen in het lichaam. |
| bi- |
Dubbel, tweemaal of tweevoudig. Voorbeeld: bifocaal, een bril waarin glazen gemonteerd zijn die elk twee verschillende brandpuntsafstanden hebben. |
| bio- |
Met betrekking tot het leven. Voorbeeld: biofysica, de wetenschap die natuurkundige invloeden op biologische processen analyseert en bestudeert. |
| brachy- |
Kort. Voorbeeld: brachypnoe, ofwel kortademigheid. |
| brady- |
Langzaam. Voorbeeld: bradykinesie, het traag uitvoeren van lichamelijke bewegingen. |
| carcino- |
Kanker betreffend. Voorbeeld: carcinogenese, het proces dat leidt tot het ontstaan van kanker. |
| cardio- |
Met betrekking tot het hart. Voorbeeld: cardiovasculair, in verband staand met het hart en de vaten of bloedvaten. |
| cefal- of cefalo- |
Het hoofd betreffend. Voorbeeld 1: cefalalgie, pijn in het hoofd. Voorbeeld 2: cefalometrie, meting van de schedel (schedelmeting) of delen ervan. |
| cerebro- |
Met betrekking tot de hersenen. Voorbeeld: cerebrovasculair, de bloedvaten in de hersenen betreffend. |
| cervic- of cervico- |
De hals of een hals betreffend. Voorbeeld 1: cervicitis, ontsteking van de baarmoederhals (cervix uteri). Voorbeeld 2: cervicogeen, uit de hals of nek voortkomend. |
| chol- of chole- |
Betrekking hebbend op gal of de galblaas. Voorbeeld 1: cholemie, in het bloed aanwezig zijn van een veel te grote hoeveelheid galbestanddelen. Voorbeeld 2: cholecystotomie, een operatie aan de galblaas. |
| chondr- of chondro- |
Met betrekking tot kraakbeen. Voorbeeld 1: chondroom, een kraakbeengezwel. Voorbeeld 2: chondropathie, ziekte van kraakbeen. |
chrom-, chroma-, chromato- of chromo- |
Kleur, kleuren, kleurbaar of kleurstof betreffend. Voorbeeld 1: chromhidrose, het uitscheiden (secretie) van gekleurd zweet. Voorbeeld 2: chromatine, een gemakkelijk kleurbare fijnkorrelige structuur in de celkern. Voorbeeld 3: chromatometer, een instrument voor onderzoek van de kleurenzin en het bepalen van kleurenblindheid. Voorbeeld 4: chromosomen, de draadvormige structuren in de celkern die de genen bevatten. |
| contra- |
Tegen of anti. Voorbeeld: contrapunctie, het maken van een tegenopening d.m.v. een punctie. |
| crani- of cranio- |
De schedel betreffend. Voorbeeld 1: cranialgie, pijn in de schedel (schedelpijn). Voorbeeld 2: craniotomie, een operatie waarbij de schedel wordt geopend. |
| cry- of cryo- |
Betreffende koude. Voorbeeld 1: cryesthesie, overgevoeligheid voor koude. Voorbeeld 2: cryotherapie, fysiotherapie met toepassing van koude. |
| crypt- of crypto- |
Het verborgen zijn. Voorbeeld 1: cryptorchisme, cryptorchidisme of cryptorchidie, niet in de balzak ingedaalde zaadbal of zaadballen. Voorbeeld 2: cryptogenetisch, van onbekende verborgen oorsprong of wijze van ontstaan. |
| cyano- |
Blauw of blauwkleurig. Voorbeeld: cyanopathie, een bij kinderen die zijn geboren met een hartgebrek voorkomende vorm van blauwzucht. Zij zien er blauw uit. |
| cyst- of cysto- |
Een blaas of holte betreffend. Voorbeeld 1: cystadenoom, een goedaardig klierweefselgezwel (adenoom) waarbij cysten gevormd worden. Voorbeeld 2: cystometrie, een onderzoek van de blaasfunctie en capaciteit van de blaas. |
| cyto- |
De cellen in het lichaam betreffend. Voorbeeld: cytologie, de wetenschap betreffende de cellen ofwel celleer. |
| dactylo- |
Betreffende de tenen of vingers. Voorbeeld: dactyloscopie, het onderzoek van de vingerafdrukken ter herkenning of identificatie van een persoon. |
dent-, denta- of dento- |
De tand of kies betreffend. Voorbeeld 1: dentaal, met betrekking tot kiezen en tanden. Voorbeeld 2: dentageen, van één of meer elementen van het gebit uitgaand. Voorbeeld 3: dentofaciaal, met betrekking tot het gebit en het gelaat. |
| dermato- of dermo- |
Met betrekking tot de huid. Voorbeeld 1: dermatoloog, huidarts of specialist in de dermatologie. Voorbeeld 2: dermosynoviïtis, een ernstige necrotiserende ontsteking van de huid. |
| di- |
Dubbel, twee of tweevoudig. Voorbeeld: diaminen, twee aminogroepen bevattende aminen. |
| dia- |
Afzonderlijk, door, tussen of volkomen. Voorbeeld: diaplacentair, van moeder naar kind of omgekeerd via de placenta. |
| dipl- of diplo- |
Dubbel. Voorbeeld 1: diplacusis, dubbel horen (acusis = het gehoor). Voorbeeld 2: Diplococcus, paarsgewijs voorkomende kokken. |
| dis- |
Voor dis- bestaan veel verklaringen waaronder abnormaal, mis, moeilijk, niet en verkeerd. Voorbeeld: distorsie, een verstuiking of verzwikking. |
| dys- |
Ook voor dys- bestaan veel verklaringen waaronder moeilijk, pijnvol, slecht, mis, on, wan en verkeerd. Voorbeeld: dyshormonaal, betrekking hebbend op een hormonale stoornis. |
| ecto- |
Uit, uitwendig of aan de buitenkant gelegen. Voorbeeld: ectoscopie, ofwel uitwendig onderzoek. |
| encefal- of encefalo- |
De hersenen betreffend. Voorbeeld 1: encefalalgie, hoofdpijn. Voorbeeld 2: encefalomeningitis, ontsteking van hersenen en hersenvliezen. |
| encephal- of encephalo- |
De hersenen betreffend. Voorbeeld 1: encephalasthenie, zenuwzwakte. Voorbeeld 2: encephalopathia, degeneratieve hersenaandoening of hersenziekte (encefalopathie). |
| end- of endo- |
In, binnen of inwendig. Voorbeeld 1: endauraal, binnenin het gehoororgaan. Voorbeeld 2: endoscopie, het inwendig onderzoeken van de lichaamsholten of een kanaal. Het instrument wat hier voor gebruikt wordt heet een endoscoop. |
| ent- of ento- |
Binnen of in. Voorbeeld 1: Entamoeba, een geslacht van verschillende parasieten. Een aantal vertegenwoordigers van deze parasieten vinden we ook in de dikke darm. Voorbeeld 2: entonox, een gasmengsel dat lichte pijnstilling of verdoving geeft. |
| enter- of entero- |
De darm betreffend. Voorbeeld 1: enteritis, ontsteking van de dunne darm. Voorbeeld 2: enteroscopie, inwendig onderzoek van de darm. |
| epi- |
Op, over, oppervlakkig of boven. Voorbeeld: epidermis ofwel de opperhuid. |
| erythro- of erytro- |
Rood. Voorbeeld 1: erythroblastoma, woekering van weefsel wat erytrocyten ofwel rode bloedcellen vormt. Voorbeeld 2: erytroblast, onrijpe kernhoudende cel waaruit een erytrocyt ontstaat. |
| eu- |
Goed, wel of normaal. Voorbeeld: eupepsie, een normaal werkende spijsvertering. |
| ex- |
Uit, ontdaan van of weg van. Voorbeeld 1: exantheem, ofwel huiduitslag. Voorbeeld 2: excisie, een uitsnijding. |
| extra- |
Uit, buiten of bovendien. Voorbeeld 1: extracellulair, buiten de cel gelegen. Voorbeeld 2: extrasensorisch, bovenzintuiglijk ofwel niet waar te nemen met de gewone zintuigen. |
| fago- |
Eten, opnemen, vernietigen of verslinden. Voorbeeld: fagocyt, een cel die deeltjes zoals bacteriën in zich op kan nemen en verteren (vreetcel). |
| farmaco- |
Met betrekking tot geneesmiddelen. Voorbeeld: farmacologie, de leer of kennis van geneesmiddelen. |
| faryng- of pharyng- |
De keel of keelholte betreffend. Voorbeeld 1: faryngitis, ontsteking van de keelholte (farynx) ofwel keelontsteking. Voorbeeld 2: pharyngitis, betekenis is idem als voorbeeld 1. |
fleb-, flebo- of phlebo- |
Met betrekking tot een ader of aderen. Zie ook ven- lager op deze pagina. Voorbeeld 1: flebitis, aderontsteking. Voorbeeld 2: flebologie: de kennis en specialisatie waarbij men zich bezighoudt met de anatomie, fysiologie en ziekten van de aderen. Voorbeeld 3: phlebostasis, een ophoping van bloed in een ader of aderen. |
| fot- of foto- |
Betreffende licht of bestraling door zon. Voorbeeld 1: fotoptometer, een instrument voor de bepaling van de refractie van het oog. Voorbeeld 2: fotosynthese, een fotochemische reactie waarbij - onder invloed van licht - stoffen worden gevormd. |
| gastr- of gastro- |
De maag of buik betreffend. Voorbeeld 1: gastritis, ofwel maagontsteking. Voorbeeld 2: gastroscopie, het met behulp van een gastroscoop onderzoeken van de binnenkant van de maag. |
| gloss- of glosso- |
Met betrekking tot de tong, de glossa of lingua. Voorbeeld 1: glossalgie, pijn in de tong (glossagra). Voorbeeld 2: glossoplegie, verlamming van de tong. |
| gluco- |
Betreffende glucose (dextrose of druivensuiker), zoetheid of zoetigheid. Voorbeeld: glucopenie, een tekort aan glucose in het bloed en / of de weefsels. |
| glyco- |
Suiker, zoetheid of zoetigheid betreffend. Voorbeeld: glycolyse, afbraak van glucose. |
| granula- of granulo- |
Gekorreld of korrelig. Voorbeeld 1: granuladeficiëntie, een stoornis in de functie van de fagocyten. Voorbeeld 2: granulomatose, de vorming van multipele granulomen. |
| grav- |
Zwaar. Voorbeeld: graviditeit of graviditas, ofwel de zwangerschap. |
| gyn- of gynaeco- |
Betreffende de vrouw. Voorbeeld 1: gynandroblastoom, een ovariumgezwel. Voorbeeld 2: gynaecoloog, een vrouwenarts. |
haem-, haema- of haemato- |
Het bloed betreffend. Voorbeeld 1: haemarthros, gewrichtsbloeding. Voorbeeld 2: Haemaphysalis, een geslacht van teken. Voorbeeld 3: haematocystis, een cyste die met bloed gevuld is. |
| helio- |
Met betrekking tot de zon of zonnestraling. Voorbeeld: heliotherapie, zonlicht als geneeskundige behandeling. |
hem-, hema-, hemato- of hemo- |
Het bloed betreffend. Voorbeeld 1: hemagglutinatie, samenklontering van erytrocyten. Voorbeeld 2: hematine, een verbinding van heem met zoutzuur (HCl). Voorbeeld 3: hematoscopie, bloedonderzoek met een optisch instrument zoals een microscoop. Voorbeeld 4: hemoglobine, de ijzerhoudende en zuurstof transporterende kleurstof in de rode bloedcellen (erytrocyten). |
| hemi- |
Half, eenzijdig of enkelzijdig. Voorbeeld: hemialgie, pijn in één helft van het lichaam. |
| hepat- of hepato- |
Met betrekking tot de lever. Voorbeeld 1: hepatitis, een ontsteking van de lever (leverparenchym). Voorbeeld 2: hepatomegalie, leververgroting. |
| hetero- |
Anders, ongelijksoortig of verschillend. Voorbeeld: heterosoom, een geslachtschromosoom. |
| hidr- of hidro- |
Zweet of zweetklieren betreffend. Voorbeeld 1: hidradenitis, ontsteking van één of meer zweetklieren. Voorbeeld 2: hidrocystoom, in het gelaat voorkomende zweetblaasjes. |
hist-, histio- of histo- |
Bindweefsel of weefsels betreffend. Voorbeeld 1: histamine, een in nagenoeg alle dierlijke en plantaardige weefsels voorkomend amine. Voorbeeld 2: histiogeen, van weefsels uitgaande of van lichaamsweefsel afkomstig. Voorbeeld 3: histogenese, de vorming of het ontstaan van weefsel. |
| holo- |
Geheel of volledig. Voorbeeld: holosystolisch, gedurende de gehele systole ofwel samentrekking der hartkamers. |
| homeo- |
Gelijk, gelijksoortig of constant. Voorbeeld 1: homeoplasma, bloedplasma van dezelfde soort of species. Voorbeeld 2: homeopathie, volgt de weg van de gelijksoortigheid. |
| homo- |
Gelijksoortig. Voorbeeld: homogeen, van dezelfde herkomst of gevormd uit onderling gelijke bestanddelen. |
| hydr- of hydro- |
Betreffende water of vocht. Voorbeeld 1: hydrarthron, ophoping van vocht in een gewricht. Voorbeeld 2: hydrocortison, een hormoon van de bijnierschors. |
| hygro- |
Vocht. Voorbeeld: hygrometer, instrument waarmee de luchtvochtigheid gemeten kan worden. |
| hyper- |
Overmatig, vermeerderd, boven, hoog of te hoog. Voorbeeld: hyperglykemie, een verhoogd gehalte aan glucose in het bloed. |
| hypno- |
Met betrekking tot de slaap of het slapen. Voorbeeld: hypnogeen, verwekker van slaap of hypnose. |
| hypo- |
Onder, te laag, te weinig, tekort of verminderd. Voorbeeld: hypoglykemie, een te laag glucosegehalte in het bloed. |
| hyster- of hystero- |
De baarmoeder of uterus betreffend. Voorbeeld 1: hysteralgie, pijn in de baarmoeder. Voorbeeld 2: hysterogram, een opname van de baarmoederholte d.m.v. röntgencontrast. |
| idio- |
Kenmerkend, het eigen zelf of gescheiden. Voorbeeld: idiopathisch, wezenlijk en zelfstandig zonder een aanwijsbare oorzaak te hebben. |
| infra- |
Beneden of onder. Voorbeeld: infraorbitalis, onder de oogkas of orbita gelegen. |
| inter- |
Tussen of te midden. Voorbeeld: intercellulair, tussen de cellen gelegen. |
| intra- |
Binnen of in. Voorbeeld: intracellulair, binnen in een cel. |
| iso- |
Gelijk, gelijksoortig zijn of behorend tot. Voorbeeld: isodynamisch, een gelijke voedingswaarde of kracht dan wel energie bezittend. |
| juxta- |
Nabij, naast of in de buurt van. Voorbeeld: juxtapylorisch, naast de maagportier ofwel pylorus gelegen. |
| karyo- |
Met betrekking tot een kern. Voorbeeld: karyokinese, het delen van de celkern. |
| kata- |
Omlaag of neer. Voorbeeld: katabool, weefselafbrekend in tegenstelling tot anabool wat opbouwend werkt. |
| lact- of lacto- |
Met betrekking tot melk. Voorbeeld 1: lactacidase, een eiwit of enzym van melkzuurbacteriën dat zorgt voor de gisting van melkzuur. Voorbeeld 2: Lactobacillus, een niet ziekte verwekkend geslacht van bacteriën. |
| laparo- |
De buik betreffend of via de buikholte. Voorbeeld: laparotomie, een buikoperatie, buiksnede of opening van de buik. |
| latero- |
Diverse betekenissen: opzij, terzijde gelegen, zijde, zijdelings of zijwaarts. Voorbeeld: lateroflexie of lateroflexio, een buiging in zijwaartse richting. |
| lepto- |
Dun, zacht of teer. Voorbeeld: leptomeningitis, ontsteking van het zachte hersenvlies ofwel de leptomeninx. |
leuc-, leuco-, leuk- of leuko- |
Wit van kleur. Voorbeeld 1: leucaemia, de woekering van cellen in het bloed. Voorbeeld 2: leucoderma of leukodermie, ontkleuring van de huid (witte huid) door het ontbreken van pigment. Voorbeeld 3: leukaferese, het afnemen (aferese) van witte bloedcellen. Voorbeeld 4: leukocyt ofwel witte bloedcel. |
| lingua- of linguo- |
Met betrekking tot de tong of glossa. Voorbeeld 1: lingua nigra, een zwart gekleurde tong. Voorbeeld 2: linguofacialis, met betrekking tot de tong en het gelaat of aangezicht. |
| lip- of lipo- |
Betrekking hebbend op vet. Voorbeeld 1: lipase, een vetsplitsend (lipolytisch) eiwit (enzym). Voorbeeld 2: lipectomie, een chirurgische verwijdering van overtollig vet. Voorbeeld 3: lipogeen: afkomstig van vet, met vet in verband staand, vetvormend of vetzucht betreffend. |
| lyso- |
Een oplossende werking vertonend. Voorbeeld: lysozym, een enzym met oplossende of lyserende werking op bacteriën. |
| macro- |
Groot. Voorbeeld: macrobronchitis, ontsteking van de grote bronchi of luchtpijpvertakkingen. |
| mal- |
Gebrekkig, kwaad, kwaal, abnormaal, slecht of ziekte. Voorbeeld: malabsorptie, het onvoldoende absorberen of opslorpen. |
| mamma- of mammo- |
Met betrekking tot de borst of vrouwenborst. Voorbeeld 1: mammaplastiek, een plastisch chirurgische ingreep waarbij een operatieve vergroting of verkleining van de borst (borstklier) plaatsvindt. Voorbeeld 2: mammografie, het radiologisch onderzoeken van de borsten (mammae). |
| mast- of masto- |
De vrouwelijke borst betreffend. Voorbeeld 1: mastitis, ontsteking van de borstklier die het meest voorkomt bij zogende vrouwen na de zwangerschap. Voorbeeld 2: mastopathie, aandoening van de borstklier met cystevorming in het borstklierweefsel gepaard gaand met de vorming van littekens en verhardingen. |
| medio- |
Midden. Voorbeeld: medicarpeus, tussen de dubbele rij handwortelbeentjes gelegen. |
| mega- of megalo- |
Met als betekenis: groot. Voorbeeld 1: megacolon, een vergroot colon ofwel karteldarm. Voorbeeld 2: megalomanie, grootheidswaan (een waanstoornis). |
| melan- of melano- |
Betekent in samenstellingen donker of zwart. Voorbeeld 1: melancholie (melancholiek of melancholisch), zwaarmoedig(heid) of zwartgalligheid. Voorbeeld 2: melanoderm (melanoderma of melanose), overmatig sterke pigmentatie of pigmentvorming van de huid. |
| mening- of meningo- |
Met betrekking tot membranen of vliezen (meninx). Voorbeeld 1: meningitis, ontsteking van de hersenvliezen (meningen) en / of het ruggenmergsvlies. Voorbeeld 2: meningomyelitis, ontsteking van het ruggenmerg en de vliezen van het ruggenmerg (ruggenmergsvliezen). |
| meso- |
Midden of middelste. Voorbeeld: mesogastrium, dat gedeelte van de buik wat gelegen is tussen epigastrium en hypogastrium ofwel het midden van de bovenbuik. |
| meta- |
Achter, na, tussen, overgang of duidend op verandering. Voorbeeld: metafase, de tweede fase - uit vier - van de celdeling of mitose. |
| micro- |
Klein. Voorbeeld: Micrococcus, een geslacht van kleine kogelbacteriën die bolvormig zijn. |
| mono- |
Eén, alleen, enig of enkel. Voorbeeld: monoaminen, uit één aminogroep bestaande aminen. |
| multi- |
Veel of veelvoudig. Voorbeeld: multinucleair, ofwel veelkernig. |
| my- of myo- |
Met betrekking tot een spier of met spieren in verband staand. Voorbeeld 1: myalgie of myalgia, spierpijn. Voorbeeld 2: myocardium, een samenvoeging van spier en hart ofwel de hartspier. |
| myco- |
Schimmel. Voorbeeld: mycologie, de kennis of leer (wetenschap) der schimmels en zwammen (schimmelkunde). |
| myel- of myelo- |
Met betrekking tot merg, beenmerg of ruggenmerg. Voorbeeld 1: myelencephalon, het verlengde ruggenmerg of nahersenen. Voorbeeld 2: myelopathie, ziekte van het ruggenmerg of ruggenmergsziekte. |
| nas- of naso- |
De neus betreffend. Voorbeeld 1: nasendoscopie, endoscopisch onderzoek van de neusholte. Voorbeeld 2: nasofarynx, de neus-keelholte. |
| necro- |
De dood, degeneratie of het afsterven betreffend. Voorbeeld: necrospermie, sperma dat dode spermatozoa ofwel zaadcellen bevat. Het is een mogelijke oorzaak van het uitblijven van een zwangerschap of subfertiliteit. |
nefr-, nefro-, nephr- of nephro- |
Met betrekking tot de nier. Voorbeeld 1: nefrectomie, het langs operatieve weg verwijderen - ectomie is uitsnijding - van een nier. Voorbeeld 2: nefrografie, röntgenonderzoek van de nier. Voorbeeld 3: nephremphraxis, verstopping van een nier. Voorbeeld 4: nephrolithiasis ofwel niersteenziekte. |
| neo- |
Nieuw of hernieuwd. Voorbeeld: neonataal, met betrekking tot de eerste weken na de geboorte. |
| nephr- of nephro- |
Zie nefr- hoger op deze pagina. |
| neur- of neuro- |
Waar zenuwen bij betrokken zijn. Voorbeeld 1: neuralgie, vaak bij aanvallen optredende zenuwpijn. Voorbeeld 2: neurohormonen, door zenuwweefsel afgescheiden hormonen. |
| noso- |
Met betrekking tot ziekte ofwel nosos. Voorbeeld: nosofobie, de vrees voor verschillende mogelijke ziekten. |
| nucleo- |
Kern. Voorbeeld: nucleoproteïne is een essentieel bestanddeel van de celkern. Dit samengestelde eiwit is een verbinding van nucleïnezuur met eiwit. |
| nutri- |
Met betrekking tot het voeden, de voeding of voedingsstoffen. Voorbeeld: nutrigenomics: het bestuderen van en technologie naar de relatie tussen voedingsmiddelen (nutriënten), producten en de genen in een celkern (genoom). |
| oculo- |
Op het oog betrekking hebbend. Voorbeeld: oculocutaan, met betrekking tot het oog (oculus) en de huid (cutis). |
| oftalm- of oftalmo- |
Met betrekking tot het oog, zie ook ophthalm- lager op deze pagina. Voorbeeld 1: oftalmalgie, pijn in het oog. Wordt ook oftalmodynie genoemd. Voorbeeld 2: oftalmomalacie, het verschrompelen of verweken (malacie) van de oogbol. |
| oligo- |
Gering of weinig. Voorbeeld: oligoelementen noemt men ook spoor- of sporenelementen. |
| onco- |
Een gezwel of tumor betreffend. Voorbeeld: oncogeen: gezwel of gezwellen veroorzakend, gezwelvormend of kanker verwekkend. |
oöfor-, oöforo-, oophor- of oophoro- |
De eierstokken betreffend. Voorbeeld 1: oöforitis, ontsteking van de eierstok ofwel het ovarium. Wordt ook ovaritis of oophoritis genoemd Voorbeeld 2: oöforosalpingectomie, het langs operatieve weg verwijderen van een eierstok (oophoron) met de daarbij horende eileider (salpinx). Voorbeeld 3: oophorectomia, het verwijderen van één of beide eierstokken (oophoron) door middel van een operatie. Wordt ook oöforectomie genoemd. Voorbeeld 4: oophorosalpingitis, ontsteking van een eierstok en de eileider (salpinx of baarmoedertrompet) die daar bij hoort. |
| ophthalm- of ophthalmo- |
Met betrekking tot het oog, zie ook oftalm- hoger op deze pagina. Voorbeeld 1: ophthalmicum, een geneesmiddel om het oog te behandelen. Voorbeeld 2: ophthalmogenetica, de kennis van oogziekten die erfelijk zijn. |
orch-, orchid- of orchido- |
De teelbal, zaadbal, testikel of testis (orchis) betreffend. Voorbeeld 1: orchitis, ontsteking van een teelbal of testis. Voorbeeld 2: orchidectomie, het chirurgisch verwijderen van een testis ofwel hemicastratie. De operatieve verwijdering van beide testis wordt naast orchidectomie ook castratie genoemd. Voorbeeld 3: orchidodynie, betreft een chronische zeurende pijn (-dynie) in een testikel. |
| ortho- |
Heeft de betekenis van recht of normaal. Voorbeeld: orthomoleculair. Moleculair betekent op de moleculen, in het menselijk lichaam, betrekking hebbend. |
| osseo- |
Het been of bot betreffend. Voorbeeld: osseomucine, de slijmachtige stof in het beenweefsel. |
| osteo- |
Been of bot. Voorbeeld: osteoartritis, een gewrichtsontsteking of artritis die ook in het bot kan optreden. |
| ot- of oto- |
Met betrekking tot het oor of gehoororgaan. Voorbeeld 1: otitis, ontsteking van het gehoororgaan. Voorbeeld 2: otoplastiek, plastische operatie aan het oor. |
| pachy- |
Dik of verdikking. Voorbeeld: pachypleuritis, verdikking van het borstvlies of pleura als gevolg van een chronische ontsteking. |
| par- of para- |
Anders, bovendien, erbij, naast of verkeerd. Voorbeeld 1: paralbumine, een eiwit dat zich in ovariumcysten bevindt. Voorbeeld 2: parahepatisch, naast de lever. Voorbeeld 3: paraglobuline, een ongewone vorm van globuline in het bloedplasma. |
| patho- |
Ziek, ziekte of aandoening betreffend. Voorbeeld: pathofysiologie, de kennis en bestudering van de lichamelijke functies van het zieke orgaan of een organisme. |
| ped- of pedo- |
Het kind of kinderen betreffend. Voorbeeld 1: pedatrofie, lichamelijk verval of atrofie bij kleine kinderen of zuigelingen. Voorbeeld 2: pedologie, de wetenschap van de lichamelijke en psychische ontwikkeling van het kind met tevens de opvoeding ervan. |
| peptid- of peptido- |
Voor het verteren of de spijsvertering. Voorbeeld 1: peptidase, een in de dunne darm werkzaam enzym. Voorbeeld 2: peptidoglycaan, een verbinding van stoffen die zorgt voor de stevigheid van de celwand van bacteriën. |
| per- |
Door of er doorheen. Voorbeeld: percutaan, via de huid of cutis dan wel door de huid heen. |
| peri- |
Om of rondom. Voorbeeld: periadenitis, ontsteking van weefsel dat zich rondom een klier bevindt. |
| pharyng- |
Zie faryng- hoger op deze pagina. |
| phlebo- |
Zie fleb- hoger op deze pagina. |
| pluri- |
Veel of veelvoudig. Voorbeeld: pluriglandulair, met betrekking tot meerdere klieren of glandulae in het lichaam. Wordt ook polyglandulair genoemd. |
pneum-, pneuma- of pneumo- |
Op de adem, long of lucht betrekking hebbend. Voorbeeld 1: pneumartrose, lucht of gas wat zich in een gewricht bevindt. Voorbeeld 2: pneumatose, een zich op een abnormale plaats in het lichaam ophopende hoeveelheid gassen of lucht. Voorbeeld 3: pneumocyste, een met lucht gevulde blaas of cyste. |
| pod- of podo- |
Met betrekking tot de voet. Voorbeeld 1: podagra, klemming of pijn in de voet dan wel jicht van voetgewrichten en teengewrichten. Voorbeeld 2: podologie, de kennis van gebreken aan en problemen met de voet en het behandelen daarvan. |
| polio- |
De kleur grijs of er grijsachtig uitzien. Voorbeeld: poliomyelitis, ontsteking van de grijze stof van het ruggenmerg. |
| poly- |
In de betekenis van veel, meer dan, verhoogd, dubbel of op meerdere plaatsen. Voorbeeld 1: polychondritis, ontsteking van meerdere kraakbeenderen in het lichaam. Voorbeeld 2: polymorf ofwel veelvormig. Voorbeeld 3: polypathie, het gelijktijdig lijden aan meer dan één ziekte of aandoening. |
| post- |
Na of achter. Voorbeeld: postnataal, in verband met of volgend op de geboorte. |
| pre- of prae- |
Vóór of voorafgaand aan. Voorbeeld 1: premenstrueel, aan een menstruatie voorafgaand. Voorbeeld 2: praematurus, onrijp of voortijdig (prematuur). |
| presby- |
Met betrekking tot oud of oudere. Voorbeeld: presbyacusis, hardhorendheid die bij het stijgen van de leeftijd bij bejaarden en ouderen kan optreden. |
| pro- |
Van te voren of voor. Voorbeeld: provitamine, een nog niet werkzame stof in het organisme die chemisch gezien een voorstadium is van een vitamine. |
| proct- of procto- |
Met betrekking tot de anus of de endeldarm (rectum of proctos). Voorbeeld 1: proctitis ofwel endeldarmontsteking (rectitis). Voorbeeld 2: proctogeen, voortgebracht door de anus of het rectum. |
| proto- |
Eerste of vroegste. Voorbeeld: protoplasma, de eerst gevormde substantie waaruit een cel is opgebouwd. |
| pseudo- |
In de betekenis van onecht, schijnbaar of vals. Voorbeeld: pseudoplasma, dwd. |
| psych- of psycho- |
Met betrekking tot de geest of psyche. Psyche staat ook voor de adem, geest, ziel en het leven. Voorbeeld 1: psychalgie, soort pijn die niet veroorzaakt wordt door een zenuw maar op psychische oorsprong berust. Voorbeeld 2: psychoanalepticum. Psychoanaleptica zijn geneesmiddelen die een stimulerende werking (analepticum) op bepaalde psychische functies hebben. Dit zijn dan middelen zoals amfetaminen (wekaminen), antidepressiva en psychotonica. |
| pulmo- |
De long (pulmo) of longen (pulmones) betreffend. Voorbeeld: pulmonitis, longontsteking. |
| pyel- of pyelo- |
Het nierbekken of pyelum betreffend. Voorbeeld 1: pyelectasie, verwijden van het nierbekken. Voorbeeld 2: pyelografie, het maken van een röntgenfoto van het nierbekken ofwel een pyelogram. |
| pyr- of pyro- |
Met betrekking tot koorts of vuur. Voorbeeld 1: pyretiologie, de kennis of leer van koorts. Voorbeeld 2: pyrotoxine, een vergif wat een koortsverwekkende werking heeft. Het gif kan gevormd worden door een bacterie. |
| quadri- |
Vier of viervoudig. Voorbeeld: quadriplegie, verlamming van alle vier ledematen. Dit woord bestaat eigenlijk alleen uit een voorvoegsel en een achtervoegsel. |
| rachi- of rachio- |
De ruggengraat of wervelkolom betreffend. Voorbeeld 1: rachialgie, pijn in de ruggengraat of wervelkolom. Voorbeeld 2: rachiotomie, een chirurgisch blootleggen van het ruggenmerg wordt ook laminectomie genoemd. |
| re- |
Opnieuw, terug of weer. Voorbeeld: reactiveren, het opnieuw actief maken of activeren. |
| ren- of reno- |
Met betrekking tot de nier (ren) of nieren (renes). Voorbeeld 1: renaal, de nier betreffend of daartoe behorend. Voorbeeld 2: renovasculair, met betrekking tot de nieren en bloedvaten (niervaten). |
| retro- |
Achter, achterwaarts of terug. Voorbeeld: retroperitoneaal, achter het buikvlies of peritoneum gelegen. |
rin-, rino- of rhino- |
Met betrekking tot de neus. Voorbeeld 1: rinitis, ontsteking van het neusslijmvlies. Voorbeeld 2: rinoscopie, onderzoek van de neus met een rinoscoop. Voorbeeld 3: rhinovirus, een virus dat in de bovenste luchtwegen verkoudheidsziekten veroorzaakt. |
| scler- of sclero- |
Hard of verharding. Voorbeeld 1: scleradenitis, het ontsteken (adenitis) en verharden van een klier. Voorbeeld 2: scleroproteïne, een eiwit (proteïne) van de steunweefsels. |
| semi- |
Half. Voorbeeld: semicircularis ofwel half cirkelvormig. |
| somato- |
Het lichaam betreffend. Voorbeeld: somatologie, de wetenschap of kennis van het lichaam en de lichamelijke verrichtingen. |
| spondyl- of spondylo- |
Met betrekking tot een wervel of de wervelkolom. Voorbeeld 1: spondylartritis, ontsteking van wervelgewrichten. Voorbeeld 2: spondylodynie, pijn in een wervel of de wervelkolom. |
| steat- |
Vet betreffend. Voorbeeld: steatose, onder meer een afzetting van vet of vervetting van weefsels (vetstapeling). |
| sten- of steno- |
Nauw, vernauwing of samengedrukt. Voorbeeld 1: stenose, de vernauwing van een kanaal of opening in het lichaam. Voorbeeld 2: stenothorax, nauwheid van de borstkas (thorax). |
| stetho- |
De borstkas betreffend. Voorbeeld: stethografie, met behulp van een stethograaf kan men de bewegingen van verschillende punten op de borstkas optekenen. |
stom-, stomat- of stomato- |
Tot de mond behorend of met betrekking tot de mond. Voorbeeld 1: stomalgie, pijn in de mond. Voorbeeld 2: stomatitis, ontsteking van het mondslijmvlies. Voorbeeld 3: stomatologie, het specialisme dat zich bezighoudt met ziekten van de mond of mondholte. |
| sub- |
Onder of beneden. Voorbeeld: subcutaan, onder de huid of cutis. |
| supra- |
Boven of over. Voorbeeld: suprarenaal of suprarenalis, boven de nier of nieren gelegen. |
| syn- |
Samen, tegelijk of verbonden. Voorbeeld: synergie of synergisme, het samenwerken of wederzijds versterken. Dit kunnen spieren, zenuwen of geneesmiddelen zijn. |
| tachy- |
Snel of vlug. Voorbeeld: tachycardie of tachycardia, een versnelde hartwerking of hartritmestoornis. |
| tel- of tele- |
Einde, ver of op afstand. Voorbeeld 1: telencephalon, kortweg gezegd de eindhersenen. Voorbeeld 2: telechirurgie, het met behulp van een robot op afstand uitvoeren van chirurgische handelingen. |
| tetra- |
Vier. Voorbeeld: tetragonum, een vierhoek. |
| thermo- |
Warmte betreffend. Voorbeeld: thermotherapie, een vorm van fysiotherapie met gebruikmaking van droge of vochtige warmte. Dit kan met baden of infrarode stralen. |
| thoraco- |
Betreffende de borstkas of thorax. Voorbeeld: thoracoscopie, het bekijken van de borstholte met behulp van een thoracoscoop. |
tox-, toxico- of toxo- |
Met betrekking tot vergif. Voorbeeld 1: toxanemie, bloedarmoede of anemie door toxische invloed veroorzaakt. Voorbeeld 2: toxicodermie, een huidaandoening die veroorzaakt werd door giftige stof. Voorbeeld 3: toxoglobuline, eiwit of globuline wat giftig is. |
| trans- |
Door of doorheen. Voorbeeld: transabdominaal, door de wand van de buik of abdomen heen. |
| tri- |
Drie. Voorbeeld: triangulair of triangularis betekent driehoekig. |
| trich- of tricho- |
Met betrekking tot een haar of de haren. Voorbeeld 1: trichesthesie, haarpijn of overgevoeligheid van het haar. Voorbeeld 2: trichomycose of trichomycosis, een door infectie met schimmels veroorzaakte haarziekte. |
| trombo- |
Betreffend bloedstolsel (trombus of trombe), stolling en stelpen van bloed. Voorbeeld: trombopenie, een verlaagd aantal bloedplaatjes of trombocyten wordt ook trombocytopenie genoemd. |
| ultra- |
Overtreffend of in bijzondere mate. Voorbeeld: ultrasonoor of ultrasoon, trillingen met hoge frequentie. |
| uni- |
Eén of één bezittend. Voorbeeld: unicellulair, uit één cel bestaande. |
| ureter- of uretero- |
De urineleider of ureter betreffend. Voorbeeld 1: ureteritis, ontsteking van de urineleider. Voorbeeld 2: ureterografie, het maken van een afbeelding van de ureter. |
urethr-, urethra- of urethro- |
Betreffende de plasbuis, urinebuis of het urinekanaal (urethra). Voorbeeld 1: urethritis, ontsteking van het urinekanaal. Voorbeeld 2: urethrastenose, een vernauwing van de urinebuis. Voorbeeld 3: urethrocystitis, ontsteking van de urinebuis (urethra) en de urineblaas (cystitis of blaasontsteking). |
| uro- |
De urine, het urineren of de urinewegen betreffend. Voorbeeld: urogenitaal, behorend tot de urinewegen en geslachtsorganen (genitaliën). |
| vaso- |
Met betrekking tot een bloedvat of vat. Voorbeeld: vasoconstrictie, vaatvernauwing door samentrekking van elementen in de vaatwand. |
| ven- of veno- |
Een ader of vena betreffend. Zie ook fleb- hoger op deze pagina. Voorbeeld 1: venectasie, de verwijding van een ader. Voorbeeld 2: venosclerose, het verharden van de wand van een ader (aderwand). |
| vesico- |
Met betrekking tot de blaas. Voorbeeld: vesicorenaal of vesicorenalis, met betrekking tot de urineblaas en nier (ren). |
| xantho- |
De kleur geel betreffend. Voorbeeld: xanthodermie, een gele verkleuring van de huid of dermis. |
| xeno- |
Met vreemd als betekenis. Voorbeeld 1: xenobiotisch ofwel lichaamsvreemd. Voorbeeld 2: xenofobie, angst voor of weerzin tegen alles wat ongewoon dan wel vreemd is of contact met vreemden. |
| xero- |
Droog. Voorbeeld: xeroderma of xerodermie. Het is een aandoening van de opperhuid gekenmerkt door droogte, rimpels en ruwheid met veelal ook schilfering van de huid. |
| zoö- |
Met betrekking tot een dier of diertje. Voorbeeld: zoöfobie ofwel vrees voor dieren. |
|
|